Auteur: admin

Openbaring van de Heer, 3 januari 2021

Lezingen: Jes. 60, 1-6; Ef. 3, 2-3a.5-6; Matt. 2, 1-12


Overweging:
Er zijn in verhalen altijd hoofdrolspelers en bijrollen. Hoofdrolspelers die het verhaal dragen en de grote lijn in de gaten houden. De bijrollen zijn meer voor de details. Bijvoorbeeld als er een tijd- of plaatsverandering moet gebeuren. Zo zagen we Maria in de hoofdrol van het kerstverhaal, toen ze de engel ervoer, die haar vertelde dat zij moeder zou worden van een groot man. Jozef speelde een bijrol als wegwijzer en gids naar Bethlehem. Als vrouw alleen zou Maria die tocht nooit hebben kunnen maken.

In het vervolg van het verhaal zagen we de herders in het veld in de hoofdrollen van zoekers en de eersten die Jezus zouden zien. De bijrollen waren deze keer voor de engelen die er toon aan gaven in hun lied. Ten slotte komen we bij het verhaal van vandaag uit. Het verhaal van de drie koningen, wijzen of geleerden. Zij speelden de hoofdrol als mensen uit den vreemden die het Christuskind, de nieuwe koning, kwamen begroeten. De andere koning, Herodes, speelde in eerste instantie een bijrol, als aangever van tijd en plaats. Hij lijkt een hoofdrol te gaan spelen, maar gelukkig bleef hij, teleurgesteld en gewelddadig achter.

Als wij onze kerststal zetten, zo een paar dagen na het Sinterklaasfeest, dan zitten we met die koningen een beetje in ons maag. Plaatsen we ze al bij de kerststal? Zetten we ze een eindje verderop, als zij die nog moeten komen? Zetten we ze achter de stal als vreemdelingen die er nog niet bij horen?  Ze lijken een bijrol te gaan spelen. Een beetje op de achtergrond, in het verborgene. Als ze geluk hebben worden ze elke dag, van 6 december tot 7 januari, een klein stukje vooruitgeschoven. Op 6 januari mogen ze de kerststal in, met kameel en al.

En zo spelen de koningen, wijze geleerde mensen, uiteindelijk een hoofdrol in het kerstverhaal. In de orthodoxe kerk vieren ze kerstmis op 6 januari, als de koningen eenmaal zijn aangekomen. De geboorte van Jezus, het bezoek van de herders en de drie wijze koningen; in het verhaal wordt het speelveld steeds groter. Van klein gezin, via de herders Israël, tot de openbaring over de hele, toen bekende, wereld. Zo zijn we, door het verhaal, getuigen van de verbreiding van het belang van deze geboorte. Nu nog niet, maar straks, zal de hele wereld getuigen kunnen zijn van het belang van deze geboorte van Jezus.

Die weg naar openheid, openbaring, naar het delen van ervaringen, zien wij in onze eigen weg terug. We maken iets mee, we ervaren iets van de goedheid van de mens en de wereld. Die ervaring is altijd eerst persoonlijk, jouw eigen, zichtbaar en merkbaar in jouw leven. En dat wil je naar buiten brengen, eerst in kleine kring om je heen. Je familie en vrienden, allen die je lief zijn, mogen jouw grote nieuws horen. In de jou vertrouwde omgeving, waar je je veilig mag weten, vertel je het goede nieuws.

Maar daar blijft het niet bij. De goedheid wil gedeeld worden met anderen, met mensen die wat verder af staan. Mensen die jouw verhaal, jouw ervaring weer verder dragen de wereld in.

Maar ook als je andere ervaringen wilt delen, ervaringen van verlies en rouw, van teleurstelling en verdriet, angst en onzekerheid; ook die deel je eerst met jouw dierbaren. Daar krijgen jouw ervaringen, jouw verhalen, een eigen veilige en betrouwbare plek. Je mag er in hun nabijheid over spreken en je emoties tonen. Je mag soms huilen en soms lachen, soms teleurgesteld raken en soms vol verwondering staan kijken.

In ons eigen levensverhaal zijn we soms degene die huilt en lacht; soms degene die troost en bemoedigt. Soms mag je terugvallen op goede vrienden en naaste familieleden. Als het leven een beetje tegenzit, als het leven net iets anders loopt dan je hoopte of verwachtte. Soms mag je die vrienden en familie laten delen in het geluk dat je ervaart, in de gezondheid die je hebt, aan de relaties die er voor je zijn. In een tijd dat het leven aan veel kanten wordt bepaald door ziekte en dood, daar mogen we elkaar tot steun zijn, elkaar troosten. Bijna een jaar na de eerste corona-uitbraken, leven we nog steeds in onzekerheid en twijfel. Velen moeten in quarantaine, velen moeten getest worden. Scholen en winkels moeten nog steeds dicht. Horeca ziet haar omzet sterk verminderen. Jongeren voelen zich opgesloten omdat ze geen relaties kunnen opbouwen. Ouderen voelen zich opgesloten omdat er niemand op bezoek mag komen.

De hoofd- en bijrollen in ons leven zijn veranderd. De bijrollen worden hoofdrollen en andersom; hoofdrollen worden bijrollen. Koningen worden herders en herders worden engelen. Verpleegkundigen en artsen hebben een hoofdrol, politieke leiders spelen bijrollen. De mensen die troost boden, bieden nu helpende handen in de zorg. Medici zien de angst van mensen.

Hoofdrollen en bijrollen. Elke rol, goed en bewust gespeeld, komt het geheel ten goede. De vraag is wel: houd ik mijn rol strak vast, of kan ik mij omdraaien naar de mens die mij nodig heeft?

Feest van de Heilige Familie, 27 december 2020

Lezingen: Gen. 15,1-06; 21,1-3; Hebr. 11, 8.11-12.17-19; Lc. 2, 22-450

Voor het altaar staat de afbeelding van Simeon die in de Tempel te Jeruzalem het Kind Jezus op zijn armen draagt, geschilderd door Rembrandt.

Inleiding
Tijdens het versieren van de kapel voor kerstmis afgelopen donderdag met iemand van de Brongemeenschap, mijmerde ik over het feest van deze zondag. Wel of niet naar je eigen familie; over andere verbanden dan direct je eigen familie. Hier, in de versiering is de H. familie, het “heilig huisgezin” heel bescheiden en een beetje verborgen aanwezig.
Ik weet dat Willemien een porseleinen gepolychromeerd beeld had van Maria, Jozef en de jonge Jezus (“en Jezus nam toe in wijsheid en welgevalligheid, bij God en de mensen”) Onze medebroeder Jan de Kort beeldde de Kerstgroep uit als drie verstilde figuren, Maria met open handen, Jozef in stille waakzaamheid.
Aan het einde van de dag, toen de bloemversiering gereed was, werd op alle stoelen een ster gelegd als symbool van onze kapelgemeenschap. “Onze verbondenheid met jullie”. Een heilige familie!

In de krant van donderdag 24/12 stond een foto van het kamp Moria op Lesbos. Ik heb de foto bij me van een jong echtpaar met hun dochtertje. Ze hadden boodschappen gedaan bij de super en gingen terug naar hun tent. Op de buggy van het meisje stond een schoenendoos met opschrift: meisje, 2-4 jaar. “Van de Verenigde Naties”, zei de vader, “ik denk vanwege kerst”. In de doos speelgoed, een knuffel en warme kleding… Dit paar, een heilige familie!

Naast de kerk in het door Corona zwaar getroffen Bergamo (eerste golf), was een kerststal opgebouwd. Maria, Jozef, de kribbe. Het Kindje nog niet. Erbij kindertekeningen, vrolijk ingekleurd met op alle tekeningen een mondkapje. Inwoners: dit, onze situatie, heeft ons dicht bij elkaar gebracht. Eén familie. Een heilige familie!

Is dit wat Paus Franciscus bedoelt met Fratelli Tutti, allen zusters en broeders, over grenzen van tijd en ruimte, elkaar waarderen, van elkaar houden, waar je ook leeft, dat is Evangelie, blijde boodschap.

Overweging.
Voor de vierde dag op rij vieren wij samen kerstfeest, het feest van God bij de mensen. In mijn zondagsmissaal stonden een andere eerste- en epistellezing dan in het zondagsboekje. Dat zette mij even op het verkeerde been. Het Evangelie gaat over wat wij vieren met Maria Lichtmis, “De opdracht van de Heer in de Tempel”. Met de oude wijze Simeon, die het Kind mag aanschouwen en op zijn armen dragen en die in zijn hoge ouderdom weet en voelt, dat hij nú kan sterven, omdat hij het heil van Godswege beloofd, mag aanschouwen. De zo langverwachte, die het Huis van Israël, dat in alle opzichten in verval was geraakt, weer zal oprichten. En we ontmoeten de oude Hanna, profetes. Jong weduwe geworden, bracht ze haar dagen door biddend in de Tempel. Beide, Simeon en Hanna, hebben weet van verdriet, maar hebben altijd de verwachting van de Messias gaande gehouden! In dit Kind mogen zij hun wijsheid en hun leven doorgeven en zelf in vrede sterven. En weten: mijn leven, in overgave, is zinvol. Iemand sprak mij daar over. Over wat hij gelooft dat zin geeft aan het leven. En hoe hij dat heeft ervaren bij een naaste naaste voor haar sterven. En wat dan als de dood komt, dit mysterie. Kunnen wij dit ooit begrijpen? het “waarom” van leven en sterven! Misschien is “onze” ster aan de horizon, die hier sedert de eerste advent brandt in onze kapel, een concreet teken van hoop, iets om ons aan vast te houden, dat het dóórgaat. Simeon en Hanna, rond deze heilige Familie. Persoonlijk vind ik de dagsluiting met de woorden van de oude Simeon die wij zojuist hoorden, het meest ontroerende en troostende gebed in ons getijdenboek. “Laat nu, Heer, uw dienaar in vrede gaan. Mijn ogen hebben uw heil aanschouwd dat Gij hebt bereid voor alle volken”. ALLE volken. Heel die mensenfamilie. Ik las ergens: tot “ontsluiering” van alle volken. Mooi is dat! Om dan pas helder te kunnen zien. Hier voor het altaar staat een niet geweldige kopie van het tafereel van deze dag. Het schilderij van de grote Rembrandt. Hij was op hoge leeftijd en bijna blind. Het was kennelijk nog niet voltooid, las ik ergens. Zijn gelaat, van Simeon (Rembrandt?) en dat van het goddelijk kind in het volle licht, het claire obscure, zoals alleen Rembrandt dat kon. Het Kind rust op Simeons armen, maar zijn handen zijn open als in een gebed. Het is als een testament van Simeon, maar, zegt men, misschien ook van Rembrandt, die in het duister van zijn slechtziendheid innerlijk met groot geloof en vertrouwen in toekomst (na hem) het tafereel vastlegde. Laat nu, Heer, uw dienaar in vrede heengaan! Dit Kind, Emmanuel is gekomen als hoop voor alle volken, de hoop die mensen verenigt. 
Duizenden vluchtelingen op Lesbos, vele slachtoffers in Bergamot en op zoveel plaatsen door Corona, eenzaamheid om ons heen en verder weg. Dat het mogelijk wordt en waarheid met onze inzet, Fratelli Tutti, allen zusters en broeders, leden van Gods heilige en samengestelde familie 

Eeuwige God,
Om wie wij roepen
Wanneer gemis 
Ons hart benauwt
En zekerheden wankelen
Wees Gij voor ons
Het verre licht
Dat ondanks alles
Aan de einder 
Weer gaat dagen
Wek die verborgen kracht
In ons
Om met vertrouwen
En met zachte moed
te durven verder gaan
Ook in de nacht van angst en twijfel
Naar een morgen die zal aanbreken
Gij die toch zelf uw naam
In onze ziel geschreven hebt
“Ik zal er zijn”

Kris Gelaude, Uit: “Van Allerheiligen tot Kerstmis”. bidden in tijden van afstand en verwachting.   Uitg. Adveniat 

Hoogfeest van Kerstmis, 25 december 2020

Lezingen:  es. 52, 7-10; Hebr. 1, 1-16; Joh. 1, 1-18

Zoals we zojuist hoorden begint Johannes zijn evangelie met een misschien wel wat cryptische beschrijving: “In het begin was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God.” Een abstract verhaal en zeker niet gevoelig of soft. Niet zo gevoelig als het verhaal van Jozef en de hoogzwangere Maria. Ook niet zo abstract als het verhaal van de overvolle herbergen. En de voederbak met stro. Toch zal het niemand ontgaan zijn dat dit begin rijmt met dat andere begin, het eerste hoofdstuk van het oude testament. Het scheppingsverhaal. In het begin schiep God hemel en aarde. De aarde was woest en leeg. Daarin komt orde door het woord dat God laat klinken. In het begin was het woord. En het eerste woord dat hij spreekt luidt: er zij licht. En er is licht. Als God spreekt, komt er perspectief, uitzicht, toekomst. En is dat het niet waar we juist in deze tijd zo naar uitzien. Een toekomst waarin we weer wat vrijer met elkaar om kunnen gaan. Zonder de angst dat Corona op de loer ligt. 

Want naast alle ellende die het virus teweeg brengt, leven we nog steeds in een wereld die er vaak uitziet als een woestenij. Een onherbergzame wereld waar geweld en agressie de toon bepalen. Terreur en aanslagen, zij bepalen nog steeds regelmatig het nieuws van de dag. Mensen gaan elkaar te lijf, om schijnbaar onbeduidende redenen. Het zijn nog kinderen die met grot messen rond lopen en ook niet schromen ze te gebruiken als iets hun niet zint. Velen vragen zich vandaag luidop af of onze samenleving nog veilig is.  Angstige woorden overheersen de publieke discussie. Gelukkig maken we het ook mee hoe mensen tot spontane acties komen die oproepen tot beheersing en verzet tegen al dat geweld.  Stille demonstraties. Het spontane betoon van solidariteit . Een open deur. Het zijn tekenen die voortkomen uit een diepe, vaak onuitgesproken intuïtie. De intuïtie dat wij de wereld,  waarin geweld het voor het zeggen lijkt te hebben, kunnen open breken in de richting van verstandhouding en verdraagzaamheid. Woorden die vasthouden aan geloof in een nieuw begin.

Dergelijke woorden zijn onmisbaar. Dat geldt niet alleen in het openbare leven. Het is evenzeer waar voor ieder van ons persoonlijk. In onze relaties. Veel misverstanden en opgestapelde agressie komen voort uit onuitgesproken ergernis. Onderdrukte irritatie. Woorden die er niet uitkwamen. Waartoe we onszelf niet in staat achtten.

Het spreken van een woord is noodzakelijk om communicatie op gang te brengen. Het kan, relationeel, inderdaad een hele opgave zijn. Het is soms als een geboorte, een bevalling. Het woord moet geboren worden. Het kost vaak pijn. Maar wie het lukt heeft een hele stap gezet. Waar mensen elkaar uitnodigen het woord te nemen, – ‘zeg jij het maar, ik zal luisteren’ – scheppen ze een kans tot nieuwe verstandhouding. Hier wordt doodse stilte doorbroken. Licht in de duisternis. Geboorte.

Jonge mensen die elkaar tegenkomen en verliefd op elkaar worden, laten er zich nog steeds toe verleiden een belofte uit te spreken. Ze doen dat, vaak zonder er zelf bewust van te zijn, met woorden die in de Bijbel gelden voor de naam van God: ‘Ik zal er zijn’. Op die manier maken ze iets goddelijks zichtbaar en tastbaar onder ons. En wanneer ze een kind krijgen, spreken ze zich uit als vader en moeder. Een belofte die geldt voor de rest van hun leven. Hun hele hebben en houden wordt er voortaan door bepaald: ‘ik wil voor jou een lieve moeder, ik wil voor jou een goede vader zijn.’ Daar willen ze niet meer van af. Woorden die toekomst scheppen.

De aanwezigheid bij een ziekbed, de veelzeggende presentie zonder dat woorden nodig zijn. Die sprekende nabijheid: ‘ik blijf bij je als het moeilijk wordt.’ Even wordt lijden draaglijk. De lijfelijke aanwezigheid als een woord van genegenheid. Een beetje licht, wat opluchting. De bemoediging voor de aarzelende jonge mensen die volop met zichzelf aan het worstelen zijn op zoek naar hun identiteit. 

De evangelist Johannes brengt ons het verhaal over Jezus. Hij noemt hem het woord van God. Het woord dat licht brengt in de duisternis. Jezus spreekt mensen aan in hun mogelijkheden, in hun toekomst. Dat heeft Zacheüs de tollenaar meegemaakt, de blinde bedelaar Bartimeüs, de lamme die naar hem toe werd gebracht en nog zoveel meer mensen die er stilletjes naar hunkerden gezien en aangesproken te worden. Voor hen geldt: in het begin was het woord. En dat woord was licht in hun duisternis.

Daarom is Jezus ervaren als iemand van een andere wereld. Niet vanuit een andere, voor ons onzichtbare wereld hierboven, die even naar beneden komt. Het gaat om een andere wereld die helemaal niet ver weg is, maar die op ieder moment midden onder ons kan open bloeien. Waar onze ogen het licht zien dat in ieder mens schuilt. Want dat is de overtuiging waaruit Jezus leefde. Dat er licht is in ieder mens. Mogelijkheden. In ieder mens. Daarvoor is liefde nodig. En geloof. Liefde in ons hart en geloof in onze ogen. Zo worden woorden geboren die tot leven wekken. Misschien is kerstmis een gelegenheid om een beetje opnieuw geboren te worden met liefde in ons hart en geloof in onze ogen. Moge dat onze kerstwens zijn voor onszelf en voor elkaar.

Kerstnacht, 24 december 2020

Lezingen: Jes. 9, 1-3.5-6; Titus 2, 11-14; Lc. 2, 1-14
In het evangelie volgens Lucas zijn het de herders die horen over de geboorte van Jezus. Rond die herders bestaat ook een lied: ‘De herdertjes lagen bij nachte.’ Ik herinner me dat ik het als klein jongetje zong bij de Kerstboom die versierd was met Kerstballen en rode, gele, blauwe en groene lichtjes. Tegelijk herinner ik me ook dat ik het een verwarrende tekst vond die ik niet helemaal snapte. Het betreft vooral het tweede couplet:
‘Toen zij er te Bethlehem kwamen,
daar schoten drie stralen dooreen;
een straal van omhoog, zij vernamen,
een straal uit het kribje beneeên.
Toen vlamde een straal uit hun ogen 
en viel op het kindeke teer…’ 

Nou, hier ben ik de weg al helemaal kwijt. Het is voor mij een onnavolgbaar lichtballet.
Deze tekst roept in ieder geval een andere herinnering uit mijn jeugd op. De herinnering aan spiegeltjes waar we het zonlicht in opvingen, om te stralen in de ogen van iemand anders.
Ook met het glas van je horloge kon je zo op school het licht op het bord spiegelen. Licht in combinatie met glas of een spiegel kan dan een irritant effect opleveren.

Licht in combinatie met een spiegel kan wel vaker irritant zijn. Er is licht, zoals fel hallogeen-licht, waarmee je niet goed uit de verf komt. Enige tijd geleden ving ik een gesprek van een paar pabo studentes op. Zij hadden het erover dat er in de pashokjes van H&M goed licht is.
Je kunt daar, en ik citeer: ‘Goed zien of je kont een beetje lekker uitkomt in je nieuwe broek’ (einde citaat).

Het is dus prettig om goed licht te hebben om jezelf goed te kunnen zien. Ik denk bijvoorbeeld ook aan het licht bij de spiegel in de sacristie, om te kijken of je stola goed zit.
Bij goed licht is een spiegel niet zo confronterend. Dan is het wel fijn om een spiegel te hebben en in de spiegel te kunnen kijken. Soms kijken we onbewust naar ons spiegelbeeld. 
Bij het passeren van een etalage of een groot raam, spiegelen mensen zich vaak even in het glas; even kijken hoe je eruit ziet.

Deze beelden kwamen bij me op bij mijn bespiegeling van het woord ‘raambezoek.’ Bij een raam werkt het niet zoals bij een spiegel. Bij een spiegel heb je licht nodig om je spiegelbeeld goed te kunnen zien. Maar bij glas is dat anders. Voor glas heb je de duisternis nodig om je spiegelbeeld te kunnen zien. Het moet donker zijn achter het glas om je te kunnen spiegelen.

Hoe tevreden je ook bent met je spiegelbeeld, het is en blijft een weerkaatsing van een moment. In een spiegel zie je jouw buitenkant. Een spiegel toont het uiterlijk. Het kan hooguit voor een goede verstaander ook iets zeggen over het innerlijk van het spiegelbeeld.
Door een spiegel kun je niet verder kijken. Daar is glas voor nodig. In glas kun je als het donker is, je spiegelbeeld zien. Als het licht de duisternis overwint, als het licht is achter het glas, kun je door het glas heen kijken. Dan kun je vooruit kijken en kan er ineens een nieuw perspectief ontstaan.

Wat zou er met de herders gebeurd zijn als ze, toen in die nacht, op raambezoek moesten?
Wat zouden ze zien als ze door het raam van de stal naar binnen zouden kijken? Zou het te donker zijn om door het glas te kunnen kijken en zou het glas hun eigen spiegelbeeld weerkaatsen? Bezorgt het raambezoek hen een blik op hun uiterlijk of kunnen ze door het raam kijken en zich diep van binnen laten raken door het beeld van een pasgeboren kind in doeken gewikkeld, liggend in een kribbe? 

Binnenkant en buitenkant, het zijn ook twee kanten aan het Kerstfeest. Aan de ene kant het uiterlijke, de buitenkant van het feest; het lekkere eten, de mooie kleren, de Kerstboom en alle andere versieringen. Aan de andere kant de diepere betekenis van Kerst de diepgang van het feest; vrede op aarde, het licht dat de duisternis zal overwinnen woorden als hoop, liefde, samen-zijn, warmte. Misschien is het met Kerst wel net zo als met mensen.
Het is een zoeken naar de balans tussen de buitenkant en de binnenkant. Misschien is dit wel de spiegel die het Kerstkind ons voorhoudt. Juist in deze ingewikkelde bizarre tijd waarin we af moeten wijken van gebruiken die we zo gewoon waren met Kerst.

Durf in die spiegel te kijken en zie wie je bent: een mens die de moeite waard is. Dit spiegelbeeld, jouw uiterlijk, wordt mooi door wat je van binnen bent. In het licht van het Kerstkind kan dit zichtbaar worden. In dit licht kun je als het ware door de spiegel heen kijken en wordt de spiegel als van glas. De spiegel van het Kerstkind biedt ons een perspectief op toekomst. De profetie van Jesaja is de verwoording van zo’n perspectief.
Het zou onlangs geschreven kunnen zijn als een hart onder de riem voor ons. Wij die leven in een tijd waarin afstand houden en elkaar zo min mogelijk bezoeken de norm is. Een tijd waarin we moeten nadenken of we die arm wel om onze naast in nood durven en kunnen slaan. Misschien zijn wij momenteel wel dat volk dat in duisternis gaat. Misschien zijn juist wij het wel die in het donker van deze tijd snakken naar het licht het licht van het Kerstkind.

‘Want een Kind is ons geboren, een Zoon werd ons geschonken (…) En men noemt hem: wonderbare Raadsman, Goddelijke Held, Eeuwige Vader, Vredevorst.’ (Jesaja 9) Grote woorden, die uiteindelijk klein beginnen met de geboorte van een kwetsbaar kind. Kwetsbaarheid kan dus uitgroeien tot iets groots en krachtigs. Aan het begin van de vorige lockdown kreeg een oud-leerling van mij een zoon. Als antwoord op mijn felicitatie schreef hij deze prachtige woorden:
‘Buiten is inderdaad een andere wereld. Los van het zeer beperkte contact met familie, wat een groot gemis is, genieten we van de rust die deze situatie met zich meebrengt. Inderdaad is dit een waarschuwing van moeder aarde, met prachtige gevolgen als je het mij vraagt. Een ongekende relativering van de manier waarop we leven. Haarlem is in een dorp veranderd.  Men groet elkaar weer op straat, maakt een praatje op gepaste afstand in de zon. Gaat weer naar het bakkertje op de hoek voor lekkerder brood en een praatje. De rust is terug.’

Zo was het inderdaad in het begin van deze crisis. Het is inmiddels iets veranderd. We zijn ongedurig geworden, hebben korte lontjes. Ons geduld lijkt op te zijn. Daar kan het Kerstkind ons mogelijk bij helpen. De geboorte van een kind is een wonder. Dit kwetsbare nieuwe leven doet je verstillen. Die verstilling kan ruimte maken om op een andere manier te leren kijken. Ruimte om het leven vanuit een ander perspectief te bezien. Stilte, rust, ruimte om het leven te bespiegelen.

Durven wij ons te spiegelen aan het Kerstkind? Durven wij in de spiegel te kijken die het Kerstkind ons voorhoudt? De spiegel die misschien wel te vinden is in de ogen van een ander. Iemand die een tegenover voor jou kan zijn. Een ander die jou doet ervaren, dat het goed is dat je er bent. Dat er voor jou vrede mogelijk is, niet alleen in deze dagen rond Kerst,
maar juist in het leven van alledag. Dat zou pas echt een zalig Kerstfeest zijn.

4e zondag van de Advent, 20 december 2020

Lezingen: 2 Sam. 7,1-5.8b-11.16; Rom. 16,25-27; Lc. 1,26-38

Broeders en zusters,
Ik heb het mezelf vaak horen zeggen: “Het gebeurt altijd anders dan je verwacht!” Het is een ervaring die ieder van ons waarschijnlijk wel herkent. Het kan gaan over een fout-gelopen vakantie of over een plotseling noodzakelijke verandering van baan; maar ook over tragische en pijnlijke gebeurtenissen: een verbroken relatie, een plotselinge zware ziekte of zelfs de dood van een geliefd iemand.
Wat het ook is: Onze zorgvuldig opgestelde plannen worden helemaal onderuit gehaald.
Een dergelijke situatie wordt dan nogal eens als “Lot” of “Toeval” omschreven en wij mensen zijn er voortdurend mee bezig om ons met de ene of andere nieuwe situatie te verzoenen en er ons op één of andere manier op aan te passen.

“HIJ komt altijd anders als de mensen verwachten”. Dat is de ervaring die wij mensen voortdurend met God hebben: eerst het volk Israël en dan – in het evangelie van vandaag – Maria, en in onze tijd ook ieder van ons die zich met Hem inlaat. God komt heel anders dan Israël het zich had voorgesteld. Hij komt als een totaal onverwacht bezoek bij een jonge vrouw die helemaal niet bijzonder was; die een stil en eenvoudig leven leidde, iemand die heel bescheiden wensen en eenvoudige verlangens voor de toekomst had en die buiten haar familie en haar directe omgeving helemaal niet werd opgemerkt.
De criteria waaronder God diegenen uitzoekt waarmee Hij wil samenwerken, verschillen grondig met de criteria die wij mensen ons voorstellen. Maar in de groet van de bode herkent Maria zichzelf als heel bijzonder. Want die bode, die hier toch in de zin van zijn opdrachtgever spreekt, zegt – om het met mijn eigen woorden te zeggen – tot haar: “Jij, Maria, wordt totaal bemind door diegene die de eeuwige liefde zelf is”.
Die uitspraak doet Maria schrikken en stemt haar tot nadenken. Maar als HIJ, God zelf, zo in ons leven komt, dan kunnen ook wij onszelf anders zien dan we tot nu toe van ons zelf hebben gedacht. Daarom moeten we de groet van de bode ook niet enkel en alleen tot Maria beperken – hij geldt, denk ik, voor ons allemaal. God heeft ook ons toegezegd dat Hij ons bij naam kent en dat Hij die naam in de palm van zijn hand heeft geschreven. Dus kunnen we ervan uitgaan dat ieder van ons zich door God even geliefd mag weten als Maria. En omdat wij mensen geen groter verlangen koesteren dan onvoorwaardelijk geliefd te worden, is de bode, die ons die goede boodschap overbrengt ook een bode van de liefde van God – een engel dus. Alleen: we herkennen die engel niet altijd – in de drukte van alledag kijken we er wel eens overheen of zien we hem of haar helemaal niet.
Daarbij is toch alles wat ons onbaatzuchtige liefde brengt, alles wat ons gelukkig maakt of vreugde schenkt, in die zin een bode van God, een engel.

Er is nog een woord uit het evangelie dat ik van meer nabij wil bekijken. God komt door bemiddeling van de bode tot een jonge vrouw, een maagd!
Noch Lucas, noch ikzelf zijn geïnteresseerd in de biologische betekenis die later aan dit woord werd toegekend. Wel aan dat wat dat “maagd zijn” naar God toe betekent. “Dienstmaagd des Heren” geeft hetzelfde weer: Een mens die voor God helemaal open staat en ontvankelijk is; wiens wil totaal vrijwillig samenvalt met de wil van God zelf. Je zou zelfs verder kunnen gaan en zeggen: God kan alleen maar naar dergelijke mensen komen omdat Hij zijn liefde aan niemand opdringt, maar altijd aangewezen is op onze bereidheid, onze openheid en onze “ontvankelijkheid voor Hem”.
Men zegt wel eens dat elke mens twee deuren heeft; de ene wordt geopend door God, de andere moet de mens zelf open doen. Een dergelijke openheid tegenover God is niet ongevaarlijk; ze heeft altijd consequenties en nooit consequenties die ik zelf kan plannen
of onder controle kan houden. En dan zijn we weer bij de uitspraak waar we mee begonnen zijn. God denkt en handelt anders dan wij en daar mogen we op in gaan. God heeft ons nodig om door ons te kunnen handelen – maar Hij heeft ons niet nodig voor zichzelf, opdat Hij gelukkig zou zijn, maar altijd voor zijn schepping, voor zijn schepsels. Gods liefde is nooit zelfzuchtig en wordt nooit gestuurd door verborgen egoïstische motieven, door een verborgen agenda; maar we moeten er wel altijd rekening mee houden en we moeten ook aanvaarden, dat Zijn liefde voor ons soms ook vervelende of zelfs onaangename consequenties met zich kan meebrengen.

In het geval van Maria kunnen we dat heel sterk aanvoelen. God verwacht van haar dat ze een buitenechtelijke moeder zou worden; dat betekent voor haar dat ze door haar vrienden en buren – misschien zelfs door de eigen familie – veracht en bespot zal worden en dat ze haar “goede naam” en misschien zelfs haar bruidegom zal verliezen.
Maar gaat het voor andere mensen die zich voor God openen, die God in zich laten werken, niet ook zo? Ook zij worden dikwijls voor “dom” versleten, verkeerd begrepen of meewarig glimlachend als een soort dwaas behandeld. Soms worden ze, zoals Franciscus, Galilei en Maarten Luther zelfs in de eigen omgeving als “onchristelijk”, “immoreel” of zelfs “ketters” beschouwd en af en toe worden dergelijke mensen ook vandaag nog zo fel gehaat, dat ze voor hun welzijn of zelfs hun leven moeten vrezen.

Dat een liefde, zoals God ze ons in Maria heeft getoond en in Jezus Christus bevestigd,
in de ogen van onze maatschappij dikwijls mislukt, wordt door elk kruisbeeld aangetoond. Het kruis toont ons aan dat Liefde nooit opgeeft, ook niet als er levensgevaar mee gemoeid is.
Maria – en door haar ook wij allemaal – verneemt dat ze door God wordt aanvaard en bemind. Omdat ze nog jong en onbedorven, dus open voor God en zijn boodschap is, laat ze God doen wat Hij het beste acht en blijft ze niet vasthouden aan datgene wat zij zich had voorgesteld.
Met de ogen en de mentaliteit van onze tijd gezien was het voor haar totaal verkeerd om zich ter beschikking van God te stellen, want haar leven werd er daardoor zeker niet eenvoudiger op – in tegendeel: eerst wordt ze moeder van een buitenechtelijk kind en dan ook nog moeder van een terechtgestelde misdadiger.

In het leven van Maria zijn er veel situaties geweest die het haar moeilijk maakten
om nog iets of iemand te begrijpen. Noch Herodes, die haar kind naar het leven stond; noch de Schriftgeleerden en de farizeeën die hem uit de weg willen ruimen; noch haar zoon zelf die – heel onvoorzichtig – voortdurend dingen verkondigt die Hem het leven kunnen kosten. Maar ook daar vergaat het haar niet anders dan ons allemaal: God laat niet in zijn kaarten kijken. Al wat Hij vraagt is een onbegrensd vertrouwen dat alles wat Hij in ons teweegbrengt uiteindelijk ten goede zal keren. En juist bij pijnlijke situaties met veel leed hebben wij het erg moeilijk om dat vertrouwen op te brengen. Maar ons leven is ook altijd een adventsgebeuren, een ‘Ja’ zeggen tegen een dikwijls verborgen en door ons niet altijd begrepen God. Daarom is het goed als ik me er altijd weer aan kan herinneren dat God onvoorwaardelijk ‘Ja’ heeft gezegd tegen mij en tegen mijn leven.
Zijn ‘Ja’ tegen mij gaat aan mijn ‘Ja’ tegen mezelf en tegen God vooraf.
“Begenadigde, de Heer is met u” is de groet van de engel aan Maria. Maar die groet geldt in dezelfde mate ook voor u en voor mij. Zowel vandaag als op elk ogenblik van ons leven.

1e zondag van de Advent, 29 november 2020

Lezingen: Jes. 63,16b-17.19b;64,2b-8; Kor. 1,3-9; Mc. 13,33-37

Broeders en zusters,
Ik denk dat er tegenwoordig maar weinig mensen zijn die nog van geen enkele dokter te horen hebben gekregen dat ze moeten opletten. Opletten dat ze gezond eten en genoeg bewegen omdat ze anders gezondheidsproblemen  krijgen.
Nu – in deze tijd van de coronapandemie – gaat de overheid haast tot het uiterste om onze gezondheid te monitoren, om zo te voorkomen dat we met z’n allen omvallen en gezondheidszorg niet meer gegarandeerd kan worden.
Economen waarschuwen ons dat er door deze pandemie harde tijden op komst zijn: de lockdown – of die nu intelligent is of totaal – maakt dat veel bedrijven het waarschijnlijk niet meer redden en failliet zullen gaan.
En dan is er nog het probleem van de CO2-uitstoot. We worden gewaarschuwd voor ernstige klimaatveranderingen en opgeroepen om waakzaam te zijn over ons energieverbruik.

Onze maatschappij zit dus vol van mensen en bewegingen die ons oproepen om waakzaam te zijn over een bepaald aspect in ons leven. Maar hoort u wel eens van mensen of bewegingen die durven zeggen dat we waakzaam moeten zijn over ons mens- of medemens-zijn? Enkele godsdiensten en levensbeschouwingen wagen zich op dat pad en aangezien nogal wat mensen vinden dat dit tot de privésfeer behoort, horen we er weinig over in het publieke debat.
Toch is waakzaam zijn over hoe menswaardig we leven en wat we doen om anderen menswaardig te laten leven zeer belangrijk. Belangrijk omdat het de mens maakt tot wie hij is: medemens.
Jules Deelder schreef het jaren geleden al – en het staat in grote letters op een gebouw op een bedrijventerrein in Nunspeet – ‘De omgeving van de mens is de medemens!’

Net als enkele weken geleden vergelijkt Jezus het Rijk Gods met iemand die naar het buitenland is gegaan en het beheer over zijn huis heeft toevertrouwd aan zijn knechten. Ik zou dit willen duiden met: God laat het beheer over de aarde aan ons over. Wat houdt dat in? Het betekent onder andere
dat we zorg moeten dragen voor moeder natuur. Ik denk dat de meesten van ons daartoe al verschillende pogingen hebben ondernomen, de ene misschien succesvoller dan de andere en de een misschien al wat meer dan de ander. Maar ik denk ook dat iedereen nog een tandje meer kan bij steken als het gaat over milieuvriendelijk leven.

Maar er is natuurlijk meer. De grootste schat die God ons in handen legt is uiteraard de mens. Gedragen wij ons als broeders en zusters van elkaar? Het is niet alleen een vraag voor regeringen,
maar ook voor elke christen. Paus Franciscus heeft dat onlangs in zijn encycliek ‘Fratelli tutti’ als één van de centrale boodschappen verwoord: dat wij ons tegenover alles en iedereen moeten gedragen als tegenover zusters en broeders.
Weerklinkt de zin van ons leven niet in de naam van God: Ik zal er zijn voor jou? Kunnen wij het als christenen aanzien dat steeds meer mensen onder de armoedegrens moeten leven?
Natuurlijk: we kunnen niet alles oplossen! We hebben daar noch de middelen, noch de tijd, noch het talent misschien voor. Maar dat is geen excuus om niks te doen en het mag zeker geen refreintje worden waarmee we onszelf in slaap wiegen. En dat is niet het enige dat ons – vaak zonder dat we het beseffen – doet wegdommelen. Onze drukke baan, onze volle agenda, ons knusse familieleventje: het zijn belangrijke elementen. Maar we moeten opletten dat we er niet door in slaap vallen.
Een ander slaapmiddel dat het ons moeilijk maakt om waakzaam te blijven is de onverschilligheid
die geruisloos onze samenleving is binnengedrongen, het samenleven verzuurt en zo de fundamenten van de solidariteit doet afbrokkelen. Want hoe makkelijk hebben we een mening over mensen in de marge? Doen we moeite om naar die mensen te luisteren?

Er is dus heel wat om waakzaam over te zijn, maar voor wie of voor wat moeten we waakzaam zijn? Is dit evangelie bedoeld om ons aan te zetten om voorbeeldig te leven, zodat we in vrede kunnen sterven?
Voor mij zit er meer achter. Als ik zeg dat we er over moeten waken dat we medemens worden van anderen, dan staat ook ons mens-zijn op het spel. Als wij ons niet geroepen weten om medemens te worden voor anderen omdat we in die andere het gelaat van God mogen terug vinden, dan kunnen we binnen een paar weken de menswording van God niet vieren.
Als elk mens hardnekkig weigert Gods liefde voor de mens concreet gestalte te geven, dan zeggen we eigenlijk dat er nog altijd geen plaats is voor God in de herberg die wij aarde noemen.
Zonder waakzaamheid geen christendom dus.

Moeten we ons dan zorgen maken? Ja en neen.
Neen; want er zijn heel wat christenen die zich niet in slaap hebben laten wiegen en nog steeds proberen, ondanks of dankzij de tegenwind soms, om Gods liefde voor de mens gestalte te geven en medemens te worden van de mens in nood.
Maar er is ook een ja: Ja, we moeten ons zorgen maken. Als we ons geen zorgen meer maken, als we onze heilige verontwaardiging over onrecht en onrechtvaardigheid verliezen, dan dreigen we in slaap te vallen.
Bovendien wijzen verschillende factoren er op dat ons economisch harde tijden te wachten staan en dan wordt solidariteit zeker een vraag die aan ons gesteld gaat worden. Op de derde zondag van de Advent – Solidariteitzondag – zal, zoals gewoonlijk, in dit kader hier een collecte worden gehouden.

De vraag om waakzaam te blijven van zo’n tweeduizend jaar geleden blijft dus nog altijd actueel. Mag die waakzaamheid een ster aan de horizon zijn, op de weg naar Gods menswording.

Christus Koning van het heelal, 22 november 2020

Lezingen: Ez. 34,11-12.15-17; 1 Kor. 15, 20-26.28; Mt. 25, 31-46

Overweging
De jaarkring van een bewogen jaar is bijna rond, van Jezus, klein begonnen, kiemcel van advent 2019 tot vandaag, waar de balans wordt opgemaakt en wij worden gewogen op ons doen en laten. Waar draait het om, “als je Mij, Jezus Christus, wilt volgen en niet Mij maar Hem die Mij gezonden heeft, in wiens dienst ik sta”.
Het Feest van Christus Koning: zelf zal Hij zeggen tijdens het verhoor door Pilatus: Ja, Koning ben ik, maar niet van deze wereld. Niet van de wereld, waar de sterkste wint en de zwakste altijd aan het kortste eind trekt…tot op vandaag. Voluit heet deze zondag: Christus Koning van het Heelal. Misschien vinden we dat nu wat triomfalistisch. Het werd ingesteld in 1925, bij het 1600 jarig gedenken van het concilie van Nicea. Het feest is dus pas bijna een eeuw oud. Zó zal Jezus zijn: Koning ben Ik” niet bedoeld hebben. Pilatus heeft het wellicht niet begrepen en voor altijd werd het op het kruis getimmerd: Dit is de koning van de Joden. En: Koning ís Hij, maar dan anders!
Wij mochten dit jaar meeleven, mee “lopen” met het Evangelie naar Mattheus, met Jezus’ goede boodschap, de parabels, zijn onderricht, zijn compassie maar ook de vermaningen. En toen kwam de pandemie die in maart gepaard ging met een lockdown. En konden wij hier in onze kapel niet meer samen met u vieren. Onze band was de kapelsite, en waren de boekjes die wij voor u in de hal legden (en daar uw trouwe collectebijdragen ontvingen!). En misschien volgde u de eucharistie op TV of een streamingdienst. Dat maakte vooral de Goede Week, Jezus’ afscheid, het Laatste Avondmaal op Witte Donderdag des te indringender, zeker voor ons hier.

Toen ik onlangs in Heeswijk was, liet medebroeder Fons mij zijn indrukwekkende museum van “avondmalen” zien. Louter afbeeldingen van het Laatste Avondmaal, van Da Vinci tot Dali, geschilderd, als puzzel, van lego(!) en onnoemlijk veel foto’s…Ook een prachtig borduurwerk! Liefdevol, zorgvuldig en heel fijntjes gemaakt door een parochiane! 
Dat is wel een heel bijzondere blijk van waardering. Veel van deze afbeeldingen getuigen van geloof, van wat het mensen doet en deed. Elke afbeelding, zei Fons, elk geschenk heeft zijn eigen verhaal.

Het bracht mij terug naar Witte Donderdag. Wanneer wij gewoon zijn middenin de kapel aan een wit gedekte tafel heel intens te vieren, intiem en indringend.
Door de pandemie stond er dit jaar een kleinere tafel hier midden in ons koor. En wij waren ons er erg van bewust, hoe bijzonder het was dat wij dat als conventen mochten en konden doen.
Wij luisterden naar Jezus’ woorden van afscheid aan zijn vrienden, die Hij ook “kinderkens” noemt. Wij hoorden zijn woorden in het grote dankgebed, die wij aanstonds wéér horen: “Blijft dit doen om Mij te gedenken.”
Blijf met elkaar verbonden. Zorg voor elkaar, wees een dienaar voor velen.
“Wees er”, dat is ook de Godsnaam! Voor elkaar een zegen proberen te zijn; zo goed als God probéren te zijn!
Het is niet altijd gemakkelijk, geduldig en attent te blijven, elkaar liefdevol te verdragen. Tóch de tijd vrij te maken waarvan je denkt dat je die eigenlijk niet denkt te hebben. De ander gróót maken en je, bewust van jezelf, zelf klein durven zijn. Een oefenschool voor het leven. Want wat een eenvoudig gebaar lijkt, klein lijkt, kan een grote uitwerking hebben en verder reiken dan je denkt! Elke daad telt. Wat je voor de minsten hebt gedaan, zegt Jezus, heb je voor Mij gedaan, omwille van het Rijk der Hemelen. Dat visioen van God, zijn Rijk dat komen zal en- soms even hier en nu- zichtbaar wordt tussen mensen, voor wie het wil zien.
Dat Rijk der hemelen, 
wanneer we de oorlog afleren,
wanneer er brood genoeg zal zijn voor iedereen,
een huis van steen tegen stormen bestand,
alle kinderen naar school kunnen en trots en stralend thuis komen om wat ze hebben geleerd, en onbezorgd gelukkig mogen zijn. Dát Rijk.
Straks zullen we daar een prachtig lied over horen dat u zeker in uw hart zult meezingen.

We mogen- gelukkig weer samen- advent tegemoet zien, een nieuw begin. En opnieuw beleven en vieren in Brood en Beker Hem die ons zijn vrienden noemt, ons nodig heeft, heel nabij blijft. “Blijft dit doen om Mij te gedenken”. En daarom mag Hij wat van ons verwachten: Hem zij alle eer, Jezus Christus, gister, vandaag, morgen en voor altijd.
Amen.