Categorie: Overwegingen (pagina 1 van 6)

30e zondag door het jaar, 25 oktober 2020

Lezingen: Ex. 22,20-6; 1 Tess. 1,5c-10; Matt. 22,34-40
Mensen vergeten wel eens hun verleden, hun eigen komaf. Mensen vergeten wel eens wie ze ooit waren en waar ze vandaan komen. Maar mensen die vergeten waar ze eigenlijk vandaan komen zijn nogal eens onuitstaanbaar, hard en liefdeloos. Het stijgt hen naar het hoofd; ze meten zich zo’n air aan dat je denkt: waar halen ze het vandaan?

Zo vergaat het soms mensen die gestudeerd hebben. Ze hebben een goed diploma op zak, noemen zichzelf  ‘hoogopgeleid’ en zijn zich tot de intellectuelen gaan rekenen. Maar met hun eenvoudige familieleden kunnen ze niet meer spreken en soms vertikken ze het, om nog met hen om te gaan. Ze voelen zich nu meer thuis in hogere, betere kringen. Ze achten zichzelf nu wat meer, wat deftiger. Ze hebben zich boven hun oorspronkelijke stand uitgewerkt en laten dat duidelijk blijken en voelen.

We kennen ook wel de generatie van de zogenaamde ‘nieuwe rijken’. Zij hebben zich zo een levensstandaard aangemeten van comfort en luxe dat je denkt: waar hebben ze het vandaan? En dat met zo’n air! Ze weten zeker niet meer dat ze alles te danken hebben aan hun ouders, die eenvoudige en hardwerkende mensen. Ongetwijfeld zijn ze vergeten dat ze vroeger zelfs geen geld hadden voor de bus om naar school te gaan. Ze willen niet meer weten dat er vroeger dagen waren dat ze met twee personen één ei moesten delen.

Als we, zoals Wim Sonneveld het eens bezong, ansichtkaarten uit de oude doos bekijken en zien hoe het er zestig, zeventig jaar geleden allemaal aan toe ging in onze steden en dorpen, moeten we toch toegeven dat we goed geboerd hebben, dat we er goed op vooruit gegaan zijn. Dat is allemaal prima!

Wanneer mensen het ver brengen, zich een betere levensstandaard weten op te bouwen, valt dat alleen maar toe te juichen. Maar dat geeft mensen niet het recht hoogmoedig, verwaand, liefdeloos te kunnen worden tegenover mensen die door omstandigheden niet hetzelfde peil als zij hebben kunnen bereiken.

Heel lang geleden heeft Mozes in dit verband al wijze woorden gesproken. We hoorden ze in de eerste lezing. Na een ellendige tijd in Egypte, een zwerftocht van veertig jaar vol ontberingen, tegenvallers, twijfels, ruzies, honger en dorst, bereikt het Joodse volk eindelijk het door God beloofde land. Daar vinden ze rust, vrede en geluk. Maar juist dán waarschuwt Mozes zijn mensen namens de Heer: Jullie mogen vreemdelingen niet slecht behandelen en hun het leven niet zuur maken. Je hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. Je weet dus wat het is! Doe geen onrecht, zegt Mozes, aan weduwen en wezen. Je hebt lang genoeg zelf niet te eten gehad en je bent zelf lang genoeg uitgebuit. Vergeet dus nooit wat je hebt meegemaakt en waar je vandaan bent gekomen. En zo gaat Mozes verder in die eerste lezing.
Als je in betere doen raakt mag je nooit je komaf vergeten. Je mag nooit je afkomst verloochenen. Zo sprak Mozes al in zijn tijd tot de mensen. En – zo zegt hij erbij – we mogen ook niet vergeten dat wat we bereikt hebben niet helemaal aan onszelf, maar voor een groot deel aan veel andere mensen en ook een stukje, of misschien zelfs wel een heel stúk, aan God te danken is. Daarom: wees gastvrij voor vreemdelingen, deel uw rijkdom met armen en behoeftigen, kom op voor de verdrukten en steek een helpende hand toe aan hen die nú doormaken wat jij ook hebt doorgemaakt. 

Helemaal in dezelfde lijn spreekt ook het evangelie van vandaag. Een wetgeleerde vraagt aan Jezus: wat is het voornaamste gebod in de wet? Met andere woorden: wat is de grondslag van de wet, het centrum van de Schrift uit welk woord je al het andere kunt afleiden? Jezus antwoordt met een zinsnede uit Deuteronomium: U zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand; een zinsnede die Hij dan verbindt met een tekst uit Leviticus: U zult uw naaste beminnen als uzelf. Het zijn deze twee zaken waar het om draait in wet en profeten. En alle andere voorschriften hangen van deze twee af. Het gaat om twee parallelle lijnen, maar nooit los van elkaar.

Voor Jezus kan de liefde tot God niet zonder de liefde tot de naaste. Als je tekortschiet in het een, schiet je ook tekort in het ander. Als we met heel ons hart van God willen houden, zullen we ook met heel ons hart van onze naaste moeten houden.
En wie is volgens Jezus onze naaste? Heel zijn leven heeft Jezus dat begrip almaar groter gemaakt. Onze naaste is volgens Hem niet alleen onze volksgenoot, niet alleen onze geloofsgenoot, onze vriend of vriendin. Onze naaste is ook de zondaar, de overspelige, de melaatse, de tollenaar, de mens aan wie we een hekel hebben, die we niet kunnen uitstaan, die ons iets ergs heeft aangedaan, zoals de moordenaar op het kruis. Heel Jezus’ leven was daarvan één groot getuigenis.
En als wij in zijn voetstappen willen treden zullen we onze liefde voor God zichtbaar moeten maken in een grenzeloze solidariteit mét en een onvoorwaardelijke liefde vóór alle medemensen, met een bijzondere plaats voor armen en eenzamen.
Dat is niet altijd zo gemakkelijk. Soms is het vreselijk moeilijk het goed te houden met mensen en aan God een plaats te geven in ons leven. Als alles meezit vraagt dit geen inspanning. Het wordt pas moeilijk wanneer medemensen ons kwetsen en ontgoochelen. Of wanneer we ons door God in de steek gelaten voelen. Maar het blijft voor mij en voor velen de enige weg waarlangs we christen-zijn kunnen waarmaken. We zijn maar in díe mate christen waarin we proberen lief te hebben. Waarin we proberen van God te houden en van onze medemensen.

Mensen vergeten wel eens hun verleden, hun eigen komaf. Mensen vergeten wel eens wie ze ooit waren en waar ze vandaan komen. Maar mensen die vergeten waar ze eigenlijk vandaan komen zijn nogal eens onuitstaanbaar, hard en liefdeloos. Het stijgt hen naar het hoofd; ze meten zich zo’n air aan dat je denkt: waar halen ze het vandaan?

Zo vergaat het soms mensen die gestudeerd hebben. Ze hebben een goed diploma op zak, noemen zichzelf  ‘hoogopgeleid’ en zijn zich tot de intellectuelen gaan rekenen. Maar met hun eenvoudige familieleden kunnen ze niet meer spreken en soms vertikken ze het, om nog met hen om te gaan. Ze voelen zich nu meer thuis in hogere, betere kringen. Ze achten zichzelf nu wat meer, wat deftiger. Ze hebben zich boven hun oorspronkelijke stand uitgewerkt en laten dat duidelijk blijken en voelen.

We kennen ook wel de generatie van de zogenaamde ‘nieuwe rijken’. Zij hebben zich zo een levensstandaard aangemeten van comfort en luxe dat je denkt: waar hebben ze het vandaan? En dat met zo’n air! Ze weten zeker niet meer dat ze alles te danken hebben aan hun ouders, die eenvoudige en hardwerkende mensen. Ongetwijfeld zijn ze vergeten dat ze vroeger zelfs geen geld hadden voor de bus om naar school te gaan. Ze willen niet meer weten dat er vroeger dagen waren dat ze met twee personen één ei moesten delen.

Als we, zoals Wim Sonneveld het eens bezong, ansichtkaarten uit de oude doos bekijken en zien hoe het er zestig, zeventig jaar geleden allemaal aan toe ging in onze steden en dorpen, moeten we toch toegeven dat we goed geboerd hebben, dat we er goed op vooruit gegaan zijn. Dat is allemaal prima!

Wanneer mensen het ver brengen, zich een betere levensstandaard weten op te bouwen, valt dat alleen maar toe te juichen. Maar dat geeft mensen niet het recht hoogmoedig, verwaand, liefdeloos te kunnen worden tegenover mensen die door omstandigheden niet hetzelfde peil als zij hebben kunnen bereiken.

Heel lang geleden heeft Mozes in dit verband al wijze woorden gesproken. We hoorden ze in de eerste lezing. Na een ellendige tijd in Egypte, een zwerftocht van veertig jaar vol ontberingen, tegenvallers, twijfels, ruzies, honger en dorst, bereikt het Joodse volk eindelijk het door God beloofde land. Daar vinden ze rust, vrede en geluk. Maar juist dán waarschuwt Mozes zijn mensen namens de Heer: Jullie mogen vreemdelingen niet slecht behandelen en hun het leven niet zuur maken. Je hebt zelf als vreemdeling in Egypte gewoond. Je weet dus wat het is! Doe geen onrecht, zegt Mozes, aan weduwen en wezen. Je hebt lang genoeg zelf niet te eten gehad en je bent zelf lang genoeg uitgebuit. Vergeet dus nooit wat je hebt meegemaakt en waar je vandaan bent gekomen. En zo gaat Mozes verder in die eerste lezing.
Als je in betere doen raakt mag je nooit je komaf vergeten. Je mag nooit je afkomst verloochenen. Zo sprak Mozes al in zijn tijd tot de mensen. En – zo zegt hij erbij – we mogen ook niet vergeten dat wat we bereikt hebben niet helemaal aan onszelf, maar voor een groot deel aan veel andere mensen en ook een stukje, of misschien zelfs wel een heel stúk, aan God te danken is. Daarom: wees gastvrij voor vreemdelingen, deel uw rijkdom met armen en behoeftigen, kom op voor de verdrukten en steek een helpende hand toe aan hen die nú doormaken wat jij ook hebt doorgemaakt. 

Helemaal in dezelfde lijn spreekt ook het evangelie van vandaag. Een wetgeleerde vraagt aan Jezus: wat is het voornaamste gebod in de wet? Met andere woorden: wat is de grondslag van de wet, het centrum van de Schrift uit welk woord je al het andere kunt afleiden? Jezus antwoordt met een zinsnede uit Deuteronomium: U zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand; een zinsnede die Hij dan verbindt met een tekst uit Leviticus: U zult uw naaste beminnen als uzelf. Het zijn deze twee zaken waar het om draait in wet en profeten. En alle andere voorschriften hangen van deze twee af. Het gaat om twee parallelle lijnen, maar nooit los van elkaar.

Voor Jezus kan de liefde tot God niet zonder de liefde tot de naaste. Als je tekortschiet in het een, schiet je ook tekort in het ander. Als we met heel ons hart van God willen houden, zullen we ook met heel ons hart van onze naaste moeten houden.
En wie is volgens Jezus onze naaste? Heel zijn leven heeft Jezus dat begrip almaar groter gemaakt. Onze naaste is volgens Hem niet alleen onze volksgenoot, niet alleen onze geloofsgenoot, onze vriend of vriendin. Onze naaste is ook de zondaar, de overspelige, de melaatse, de tollenaar, de mens aan wie we een hekel hebben, die we niet kunnen uitstaan, die ons iets ergs heeft aangedaan, zoals de moordenaar op het kruis. Heel Jezus’ leven was daarvan één groot getuigenis.
En als wij in zijn voetstappen willen treden zullen we onze liefde voor God zichtbaar moeten maken in een grenzeloze solidariteit mét en een onvoorwaardelijke liefde vóór alle medemensen, met een bijzondere plaats voor armen en eenzamen.
Dat is niet altijd zo gemakkelijk. Soms is het vreselijk moeilijk het goed te houden met mensen en aan God een plaats te geven in ons leven. Als alles meezit vraagt dit geen inspanning. Het wordt pas moeilijk wanneer medemensen ons kwetsen en ontgoochelen. Of wanneer we ons door God in de steek gelaten voelen. Maar het blijft voor mij en voor velen de enige weg waarlangs we christen-zijn kunnen waarmaken. We zijn maar in díe mate christen waarin we proberen lief te hebben. Waarin we proberen van God te houden en van onze medemensen.

27e zondag door het jaar, 4 oktober 2020

Lezingen: Jes. 5, 1-7; Filip. 4, 6-9; Matt. 21, 33-43

De eerste vraag die bij je op kan komen als je dit evangelie leest is: als we lezen over de wijnbouwers, de pachters, bedoelt Jezus dan met de pachters het hele joodse volk? En wordt hier dan het hele joodse volk verworpen om alle moord en doodslag van een aantal mensen? Nee, maar we moeten het wel goed lezen, in de context van de tijd. We moeten ons niet laten leiden door onze normen. Wij vinden al snel dat er recht moet geschieden, dat er vergelding plaats moet hebben. Want als je nagaat wat die landeigenaar allemaal voor zijn wijngaard heeft gedaan, dan moet je wel zeggen: hij had er toch echt niet meer voor kunnen doen. Hij heeft de wijngaard aangelegd, er een omheining omheen gezet, er een wachttoren in gebouwd om diefstal te voorkomen, en er een speciale perskuip in gezet om de oogst van de druiven al op het land te kunnen persen. Meer had hij toch niet kunnen doen. En toch heeft hij van de wijnbouwers die zijn wijngaard bewerken niets dan ellende gehad. Want toen het tijd werd om te oogsten, dat moet ongeveer in deze tijd van het jaar zijn geweest, toen hij zijn mensen naar de berghellingen stuurde om die goede wijn in ontvangst te nemen werden ze mishandeld, gegeseld, ja zelfs gedood. En dat gebeurde ook toen hij voor de tweede keer dienaars stuurde. Dat gebeurde zelfs met zijn eigen zoon die uit de wijngaard werd gezet en vermoord.

Als je dit alles hoort is onze norm: hij zal dat die mensen wel radicaal vergelden. En dat is ook het antwoord van zijn toehoorders wanneer Jezus vraagt wat er met die wijnbouwers moet gebeuren. De landheer zal hen wel een ellendige dood doen sterven. Maar dat gebeurt niet.

Voor ons is nu duidelijk wat hier gezegd wordt. God heeft letterlijk alles voor zijn volk gedaan. En nu stelt dat volk Hem behoorlijk teleur. Maar Hij neemt geen wraak. Hij vergeldt het hun niet. Nee, Hij stuurt opnieuw zijn eigen Zoon, door Hem te doen verrijzen. Hij maakt Hem zelfs tot de hoeksteen waarop zijn volk kan steunen. Hij verwerpt het volk niet Hij maakt duidelijk dat alle volkeren God ter gaan. Op last van de Heer is dat gebeurd. en het is wonderbaar in onze ogen.  Jezus is niet de stukgelopen held, de vruchteloze verdediger van de armen, van de kleinen en de machtelozen. Hij mag dan ter dood zijn gebracht op aandringen van hen die het volk moesten leiden, maar God heeft Hem uit de dood doen opstaan. Dan wordt het leven en de liefde die Hij uitstraalt een deel van het leven van zijn leerlingen. Zij gaan zich spiegelen aan de houding van Jezus. Zij gaan inzien dat wraak en vergelding alleen maar meer ellende te weeg brengen. De houding van Jezus is het beeld van de zorg en de toewijding van de wijngaardenier. De zorg en de toewijding waarmee God de wereld en wat erop leeft, dus ook wij mensen, heeft geschapen.

Als wij onze behoefte aan wraak en vergelding niet langer projecteren op God maar leren van het voorbeeld van Jezus, de wijngaardenier, kunnen ook wij misschien wat afstand nemen van het maar ongenuanceerd een ander laten boeten, dan kunnen we misschien eens een keer afzien van vergelding en wraak. Dan wordt door ons niet meer uitgekeken naar vernedering van de machtigen. Natuurlijk vreet het aan ons om te moeten toezien hoe weerloze mensen de dupe worden van oorlog en geweld, hoe kinderen als soldaten worden ingezet, hoe bevolkingsgroepen elkaar op de meest verschrikkelijke manieren soms uitmoorden en ga zo nog maar door. Ieder van ons kan hier nog een rijtje ellende aan toevoegen.

Als we dat bereiken, dan kan ook de droom geloofwaardig worden dat er iets met ons kan gebeuren, dat we geen wraakgevoelens meer hebben, maar dat de liefde in ons echt een plaats krijgt. Dan mogen we ook hopen dat de vrede van God, een begrip dat alle begrip te boven gaat, dat die vrede in ons geboren wordt. Dan lukt het soms dat we inderdaad bidden dat de liefde in ons zal opbloeien of tot leven komen. Dan worden we zelf anders en zullen we ook anders naar de wereld kijken.
Dan hebben we ook geen behoefte meer aan een God die wraak neemt. Dan kunnen we echt gaan genieten van de goede wijn uit de wijngaard van de Heer.

25e zondag door het jaar, 20 september 2020

Lezingen: Jes. 25, 6-10a; Fil. 1, 20c-24.27a; Mt. 20, 1-16a

Ik weet niet hoe u erover denkt, maar de evangelielezing van vanmorgen roept nogal wat vragen op. Misschien zelfs bij sommigen wel ergernis. Een werkgever die zo met zijn personeel omgaat! En dat lezen we in het evangelie, in de blijde boodschap? Juist in een tijd waarin wij nog respect hebben voor mensen die lang in dienst zijn bij een bedrijf, juist in zo’n tijd wordt ons voorgehouden dat zij, die pas gisteren gekomen zijn, recht hebben op eenzelfde beloning als hij of zij die al jaren zich met hart en ziel voor het bedrijf heeft ingezet. Zonder er verder bij na te denken zouden we gaan roepen: Dat is toch wel heel onrechtvaardig. Het strijkt ons tegen de haren in. Als het zo toegaat in het geloof, ja dan sluiten de woorden van Jesaja uit de eerste lezing naadloos aan bij deze evangelielezing: Mijn wegen zijn nu eenmaal niet jullie wegen. Maar wat moeten we ermee?
Op de eerste plaats moeten we niet vergeten dat Jezus dit verhaal vertelt als een parabel, als een gelijkenis. Hij is absoluut niet gekomen om ons te leren hoe wij een bedrijf op een economische manier moeten runnen, hoe je met je personeel om moet gaan. Dat kunnen de meesten zélf goed genoeg, daar hebben we Jezus niet voor nodig. Nee, als Jezus ons een verhaal vertelt, dan is zijn opzet ons voor te houden hoe het er bij God aan toe gaat. Zo begint ook dit verhaal met de woorden: Het Rijk der Hemelen gelijkt op…Met andere woorden: Als God eenmaal alle macht heeft, als God eenmaal koning zal zijn, dan zal het er onder de mensen als volgt aan toe gaan. Hij vertelt dus iets over God en gebruikt daarvoor een alledaagse situatie. In dit geval een werkgever. Jezus wil ermee bereiken dat wij door zijn woorden verrast worden, misschien zelfs wel schrikken. Want Hij gaat ons duidelijk maken dat God vaak anders te werk gaat dan wij. Zijn wegen zijn nu eenmaal niet de onze.

We moeten ons nog iets voor ogen houden. Jezus vertelt een verhaal om iets duidelijk te maken. Dat komt in de bijbel vaker voor. Als koning David een vrouw van een ander heeft afgepakt en haar man de dood heeft ingejaagd komt de profeet aan David een verhaal vertellen: Majesteit, hier in uw land is een rijke man die het in zijn hoofd haalde om een arme man te bestelen. De rijke man had veel dieren, maar hij haalde het enige dier bij de arme man weg om zijn gast te eten te kunnen geven. David schoot woedend overeind en zei: “Die man verdient gestraft te worden”. Waarop de profeet rustig antwoordde: “Majesteit, die man bent U”. En David begreep onmiddellijk wat de profeet bedoelde.

Wie een verhaal gebruikt om iets duidelijk te maken heeft het over de situatie van dat moment. Over de actualiteit. Over welke actualiteit gaat dan het verhaal van Jezus wat we zojuist lazen?
Het verhaal slaat op het feit dat Jezus ervan wordt beschuldigd om te gaan met tollenaars en zondaars. Dat werd Hem kwalijk genomen want dat hoorde niet, dat stond toch in de Bijbel. Het waren juist de mensen die serieus werk maakten van hun gelovig en godsdienstig leven die zich aan de houding van Jezus ergerden.Maar met dat ageren tegen het optreden van Jezus raakten ze juist de kern van zijn levensopvatting. Hij voelde zich juist aangetrokken tot mensen bij wie het niet goed zat, tot mensen die fouten hadden gemaakt in hun leven. Of tegen wie werd gezegd, met de bijbel in de hand, dat ze niet goed of niet rein waren om de tempel in te mogen. Erger nog: zo mochten niet eens tot God bidden, want hun onreinheid zou het hele godsdienstige leven aan kunnen tasten en verontreinigen. God zou kwaad kunnen worden en het volk kunnen straffen.

Je zult maar bij die groep horen die het nou even niet zo goed heeft getroffen, misschien door je eigen of door andermans schuld. Je zou eigenlijk niets liever willen dan je in al die misère tot God keren en hem vragen je uit de put te helpen, je misschien te kunnen vergeven. En dat zou dan niet mogen? Een ramp. En het is juist die houding die Jezus ter harte gaat. Van het begin af aan voelde Hij zich tot die mensen, die verworpenen, die achtergestelden, aangetrokken. Hij wilde ze duidelijk maken dat God anders was dan de vrome gelovigen van zijn tijd zeiden. Hij wilde hen juist duidelijk maken dat God een God is van barmhartigheid, van vergeving en genade. Vanaf het begin heeft Jezus gezegd: Ik ben gekomen om zondaars te redden. En Hij vergeleek zich vaak met een dokter, een dokter die komt voor de zieken en niet voor de gezonde mensen. Hij zocht de foute, de zieke mensen op en probeerde het beste in hen aan te spreken, zodat ze zich zouden bekeren.
Daarom vertelt Hij ook het verhaal van de landeigenaar die arbeiders zoekt. Of: God die mensen zoekt om zijn wil te doen: naastenliefde, gerechtigheid. En Hij stelt ze een beloning in het vooruitzicht. In het verhaal één denarie of vertaald: bij God horen, deelhebben aan zijn genade. De mensen krijgen dus eigenlijk een schitterend cadeau.

Of we nu vanaf het begin de weg van God gaan of ons pas later aansluiten, ons bekeren: we mogen allemaal erop rekenen dat God er voor ons zal zijn. Ja zelfs als we ons op het allerlaatste moment nog aan Hem vastklampen zal Hij er voor ons zijn.
Het mooiste voorbeeld hiervan lezen we in het evangelie van Lucas, het verhaal dat bekend staat als het verhaal van de goede moordenaar, die naast Jezus wordt gekruisigd. De man geeft zelf toe dat de straf die hij ondergaat zijn verdiende loon is. Maar hij vraagt Jezus om vergiffenis: Als U in het koninkrijk bent, denk dan nog eens aan mij. Wij kennen Jezus’ antwoord: Vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn. Dat is de kortste samenvatting die van Jezus’ verhaal over de arbeiders te geven is. Blijde boodschap voor mensen die gehavend, met scheuren en barsten rondlopen en zich met hun verdriet tot God wenden. Blijde boodschap voor hen die fouten hebben gemaakt, die zich geen raad meer weten en niets anders meer hebben dan hoop. Zij krijgen te horen: Hij is er voor jou. Ook al sta je helemaal achteraan in de rij omdat je niet beter zou verdienen, ook voor jou is er de beloning.

Prachtig hè, eigenlijk ongelooflijk; wat een toekomst! Niet te bevatten. Maar dat maakte Jesaja ons al duidelijk als hij vertelt dat God zegt: Ik ben een God van vergeving en erbarmen. Zoals de hemelhoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen jullie wegen te boven, en mijn gedachten jullie gedachten.
Gelukkig maar.

24e zondag door het jaar, 13 september 2020

Lezingen: Sir. 27,30-28,7; Rom. 14,7-9; Mt. 18,21-35

Inleiding
Relaties, in welke vorm dan ook, gaan niet altijd van een leien dakje. Soms is er onenigheid of zijn er misschien zelfs conflicten. Van mezelf ken ik de neiging om de ander dan eens goed de waarheid te zeggen. Of misschien zelfs met de botte bijl te hakken! Maar dan is er ook de wetenschap dat daardoor de relatie blijvende schade kan oplopen. En wil ik dat wel?
De lezingen van vandaag wijzen ons erop, dat verzoening en vergeving de weg openen naar een nieuwe toekomst.  Vergeving kan heilzaam werken, helen. Dat komt ons leven en zeker ook ons samenleven ten goede.

Overweging
Ik weet niet hoe het u zojuist verging, maar bij mij kwamen de eerste woorden van de lezing uit de profeet Jezus Sirach nogal hard binnen: ‘Wrok en gramschap zijn iets afschuwelijks, alleen een zondaar blijft ermee lopen.’
Meteen daarop volgt echter een goede raad: ‘Vergeef uw naaste zijn onrecht.’
Die afschuwelijke wrok en gramschap ontstaan dus wanneer iemand zijn naaste niet wil vergeven als die hem iets fouts heeft aangedaan. In het evangelie sluit Jezus daar helemaal bij aan. Petrus vraagt Hem hoe dikwijls hij de naaste die hem iets misdaan heeft moet vergeven. ‘Tot zevenmaal toe?’ vraagt hij en dat is een heel mooi voorstel, want de joodse wet schrijft voor: ‘Oog om oog, tand om tand.’ Dat houdt dus in dat het slachtoffer de dader niet méér mag aandoen dan hijzelf heeft moeten ondergaan. Petrus zou zijn naaste dus niets aandoen, maar hem tot zeven keer toe vergeven.
Maar wat hij als een sterke prestatie beschouwt, wordt door Jezus als totaal onvoldoende afgewezen. Je moet je naaste niet zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal vergeven, zegt Hij. Dat getal staat voor oneindig en voor altijd. Dat is wat je moet doen: je naaste altijd vergeven als hij of zij je iets kwaads heeft aangedaan.
En om dat heel begrijpelijk te maken vertelt Jezus het verhaal van de heer die zijn dienaar een schuld van tienduizend talenten kwijtscheldt. Een ondenkbare schuld, want één talent komt neer op zesduizend denariën en dat zijn zesduizend daglonen. Je moet dus twintig jaar werken voor je zoveel verdiend hebt. Maar met zijn schuld van tienduizend talenten heeft de knecht zich een schuld van zestig miljoen daglonen op zijn nek gehaald en dat is natuurlijk helemaal ondenkbaar, want dat komt neer op tweehonderdduizend jaar werken; zolang zal die knecht zeker niet leven.
Het is dus duidelijk dat Jezus hier geen verhaal vertelt over de menselijke werkelijkheid, maar een verhaal over Gods eindeloze barmhartigheid. Alleen de eindeloos barmhartige God kan een onvoorstelbare menselijke schuld kwijtschelden. Maar zoals we zien in het verhaal kan Hij dat alleen als er berouw en erkenning van schuld is. Dat blijkt de dienaar niet op te kunnen brengen.
Integendeel: hij grijpt een mededienaar, die hem honderd denariën schuldig is, bij de keel en werpt hem in de gevangenis tot hij zijn schuld terugbetaald heeft. Dat brengt zijn barmhartige heer tot grote verontwaardiging. Hij noemt zijn dienaar een lelijke knecht en levert hem over aan de beulen tot hij zijn hele schuld betaald zal hebben. En Jezus voegt daar uitdrukkelijk aan toe: ‘Zo zal mijn hemelse Vader met ieder van u handelen die zijn broeder niet van harte vergiffenis schenkt.’
Kunnen vergeven: daar komt het dus op aan! Dat leert Jezus ons trouwens ook in het gebed dat Hij ons gegeven heeft. ‘Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren’, bidden wij in het Onze Vader.
Maar vergeven … ik denk dat we allemaal wel weten dat dit niet altijd gemakkelijk is. Wellicht werd ieder van ons al ééns, of meer dan ééns, geconfronteerd met iets dat kwetst, dat beledigend is, dat gelogen is. Iets dat echt pijn doet en diepe wonden slaat.
En het kwaad gaat niet alleen over dingen die onszelf treffen, maar vaak ook over dingen die de mensheid treffen. Het nazisme dat miljoenen mensen vermoordde, het moordende islamterrorisme, de mensensmokkelaars die alleen maar aan geld denken en niet aan mensenlevens, de talloze wrede en corrupte machthebbers die hun volk bestelen en iedereen vermoorden die durft te protesteren, de miljoenen rijken die leven op de uitbuiting van de massa armen…
Er was en er is zoveel in de wereld dat echt onvergefelijk is, en dat ook niet vergeven kan worden omdat er geen berouw en geen erkenning van schuld is! Integendeel.
We moeten het oordeel daarover maar overlaten aan onze algoede God. Hij alleen ziet en weet wat goed én wat onuitroeibaar kwaad is. Wat Jezus van ons vraagt is dat we zouden vergeven wat óns wordt aangedaan. Dat we zeker geen wraak zouden nemen, want dan verdwalen we in dezelfde straat als hij of zij die ons iets heeft aangedaan.
En het is ook goed als we beseffen dat wijzelf ook geen heiligen zijn en dat ook wij wellicht meer dan eens op vergeving moeten rekenen.
Maar hoe kunnen we vergeving krijgen als we zelf geen vergeving willen geven?
Laten we dus oprecht zijn wanneer we bidden: ‘Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren.’

23e zondag door het jaar, 6 september 2020

Lezingen: Ez. 33, 7-9; Rom. 13, 8-10; Mt. 18, 15-20
Onze viering vandaag begon met een kort in memoriam van Kardinaal Simonis en het aan steken van een kaars bij zijn foto. De kardinaal overleed op woensdag 2 september 2020 op 88- jarige leeftijd.  

Afgelopen woensdag overleed Kardinaal Simonis, op de leeftijd van 88 jaar. Hij was een broze mens geworden. Menigeen hier heeft hem persoonlijk gekend of van hem de zending ontvangen om in het pastoraat te werken. Voor even domineerde dit bericht het nieuws en ook het politieke debat over de minister die in “dit” Coronatijdperk, op zijn feestelijke huwelijksdag, de noodzakelijke 1 1/5 meter regel overschreed… De ene na de andere foto lekte uit van mensen die elkaar omarmden enz. Foto’s van een gelukkige dag, met gelukkige mensen!  En met smartphones blijft kennelijk geen moment privé. Bij mijn weten stond er nergens of het gezinsleden betrof, bijvoorbeeld een schoonmoeder of dat het ging om mensen “op afstand”. Of dat was nagegaan. Maar de journalistiek en de politiek legden hem het vuur na aan de schenen. Dikke vraagtekens bij zijn geloofwaardigheid. Ach, zo’n feestelijke dag. En net zoals bij sommige sporten soms gebeurt waren er de vele lezersreacties en hadden bij wijze van spreken 17 miljoen Nederlanders er een- al dan niet afkeurende- mening over. De minister ging zoals dat heet diep door het stof en betuigde spijt.
Ben ik verantwoordelijk voor de gemeenschap; voor mijn naaste, voor mijn broeder/zuster?
Daarover gaat het Evangelie. Het gaat niet om rigoureuze afwijzingen, wel over terechtwijzing. En op welke wijze. Ik las in het kader van vandaag het woord: Terechtwijzende liefde
Laten we dat boven deze zondag plaatsen.

Overweging
Twee weken geleden hoorden we dat aan Petrus de sleutels van het Rijk der hemelen werden gegeven. De “Sleutelmacht”, om te binden en ontbinden. Om de gemeenschap bijeen te houden en Gods blijde boodschap te verkondigen én uit te leggen. pWe weten, het staat er niet expliciet, dat het gaat om het onderhouden van de wet, om het dubbelgebod, dat is:
-van God houden, dat is: leven naar zijn geboden;
-van de naaste houden, dat is: leven in relatie;
-als van jezelf: dat is: De Ander, die is als jij; mens van God, naar zijn beeld.
-het roept ons tot verantwoordelijkheid: ben ik mijn broeders- mijnzusters hoeder?
We weten niet over welke zonde het hier gaat, de ernst ervan; een handgemeen? roddel of laster? Niets zo dodelijk als dat!
We weten ook dat Jezus niet bepaald een goede band had met de farizeeën en schriftgeleerden wanneer zij mensen strak de soms onmogelijke regeltjes oplegden en hen daarop beoordeelden; en zichzelf “aan de buitenkant” buitengewoon vroom opstelden.
Maar Jezus zou nooit roddelen of laster over ze spreken. Eerder dan dat gaat het Jezus Christus erom de mensen bij elkaar te houden. In de gemeenschap, de ecclesia, waar niemand alleen loopt, waar niemand méér is dan de ander; waar mensen op elkaar kunnen terugvallen; waar geen onrust wordt gestookt, geen laster gesproken en mensen hun fouten blijven nagedragen. Spreek het uit als de een tegen der ander een grief heeft, onder vier ogen. En als dat niet lukt, als iemand geen correctie aanvaardt, haal er iemand bij; – tegenwoordig zijn er bureaus voor mediation, die geweldig goed werk doen!- en als het nog niet lukt haal er de gemeenschap bij. 
En dán is het de kunst, dat vraagt de juiste mentaliteit om iemand die op zijn schreden terugkeert, spijt betuigt, dat hij of zij ruimhartig wordt vergeven, En- als- niet, dan volgt ónontkoombaar het verlaten van de gemeenschap. Hoe zwaar dit ook is. Omdat je niemand wilt missen! Zonder wrok! zonder boosheid! Maar omdat de gemeenschap ok verder moet en niet de dupe wordt. 
Een Evangeliegedeelte als vandaag staat in een bredere context. Wat gaat eraan vooraf en wat komt er ná? Vóór ons 15e beginvers vandaag staat het verhaal van het afgedwaalde schaapje. De 99 hadden keurig de route aangehouden en waren op tijd naar de schaapskooi teruggegaan. Het 100ste was afgedwaald…nieuwsgierig of eigenzinnig. Zoals een dartel lammetje dat kan. Maar de herder/ Jezus, ging het zoeken en vond het en bracht het terug bij de andere, zijn moeder, zijn groesgenoten. En pas dán kan er vreugde zijn in het huis! Omdat je niemand wilt en kunt missen. Omdat elke mens telt, kostbaar is in Gods oog!! Omdat er niemand aan zijn lot zou moeten worden overgelaten, de vluchteling niet, de vreemdeling niet, maar ook niet de mens die misschien andere ideeën heeft…
Petrus kreeg de sleutels. Om mensen enthousiast te maken voor het Koninkrijk. Het Rijk der hemelen.  Dat is: leven vanuit en naar de mentaliteit van Jezus Christus; zijn weg gaan, naar het Leven. dat is ook: terecht te wijzen en bijsturen waar nodig.
Hoe onvolmaakt was hij zelf nog! Gelovig nog niet volwassen. Het is gegeven met ons menszijn, met ons steeds méér mens wórden. En toch is het- ook- aan ons om in de relatie van Ik en Gij; ik en jij, onze gebroken wereld héél te maken. De uitspraak is de titel van een boek. Van de rabbijn Jonathan Sacks. Onze gebroken wereld heel maken, door onze verantwoordelijkheid te nemen; elkaar te durven aaspreken en terecht wijzen. met de liefde die God in ons legt. Petrus hoefde het niet alleen te doen. Er waren de gemeenteleden rond hem heen, m/v, te beginnen met de eerste volgelingen. De 11 andere apostelen, de vrouwen. Het “college van adviseurs”.En ook wij hoeven het niet alleen te doen: waar 2 of 3 in mijn Naam aanwezig zijn, zegt Jezus, daar ben Ik… Vraag en bid. Ik ben in jullie midden.
En als wij afdwalen worden wij liefdevol terecht gewezen. Het gebed om ontferming aan het begin van elke eucharistie, ook zojuist, maakt ons gereed die liefde te ontvangen!!
Een studievriendin belde mij gister. Dat er naar de minister reacties waren met de woorden: “mildheid en genade”. Zijn positie maakt dat alles onder een vergrootglas wordt gelegd…dat moet je misschien extra voorzichtig maken.Maar misschien mag je die verzoenende woorden in al zijn menselijkheid zien als wat boven deze zondag kwam te staan: terechtwijzende liefde.

22e zondag door het jaar, 30 augustus 2020

Lezingen: Jer. 20,7-9; Rom. 12,1-2; Mt. 16,21-27

Ik kom regelmatig “Petrussen” tegen. Mensen die ronduit zeggen wat ze denken. Soms een beetje ongenuanceerd, maar recht uit het hart. Mensen van wie je weet hoe ze van binnen zijn en die daar ook voor uitkomen. Vaak geen gemakkelijke mensen. Ze botsen regelmatig, komen nogal eens tot harde woorden. Maar je weet wat voor vlees je in de kuip hebt.
U kent vast ook wel zulke mensen. Ik noem ze vandaag maar even Petrussen omdat zo sterk lijken op Petrus, waarover we zojuist in het evangelie hoorden. Hij was ook zo iemand: radicaal, eerlijk, rechtuit. Zo komen we hem tegen in de evangelies. Zo was hij de eerste om onomwonden zijn mening te geven op de vraag wie Jezus eigenlijk was. ‘U’, antwoordde hij – en we hoorden dat vorige week – ‘U bent de Christus, de Zoon van de levende God.’ Punt uit, zo is het! Maar als hij niet akkoord gaat, zoals vandaag, klinkt het al even radicaal. ‘U lijden, U sterven! Dat nooit! Dat zal U niet overkomen!’

Eigenlijk een heel natuurlijke reactie in die tijd. Petrus zat nog met de toen nog gangbare opvatting over de Messias, de Zoon van de Allerhoogste. Die zou de koning zijn, heerser over de wereld. En dan die uitspraak van Jezus dat Hij eerst nog veel moet lijden en dat Hij ter dood gebracht zou worden. Dat kon gewoon niet voor Petrus. Zo was hij, een mooi mens.

Maar Jezus reageerde op Petrus’ uitspraak. Zo zit het leven niet in elkaar. Het leven kent af en toe wel eens een succesje, maar evengoed ook lijden en sterven. Dit hoort erbij, dat is de realiteit. Jezus had de leerlingen vroeger al wel eens gezegd dat Zoon van God ook betekende: lijdende dienaar van JHWH zijn. Hij die moest lijden en sterven in plaats van zijn ontrouw volk. Zo hadden toch de profeten erover gesproken. En zij hadden het daarbij over Hem. Maar dat had Petrus niet begrepen; hij had er moeilijk mee.
Vandaar dat Jezus zo heftig reageerde. Als je op die manier denkt, dan verzet je je tegen Gods wil. Jezus noemt Petrus zelfs een satan, iemand die zich tegen God verzet. Hij wijst Petrus dan ook letterlijk op zijn plaats. Achter mij. Een hard woord. Het kan twee betekenissen hebben. Het kan klinken zoals men een hond beveelt, achter de baas! Wat dan wil zeggen: luisteren, doen wat ik zeg;  dat klinkt kleinerend. Het kan ook verstaan worden als: sta achter mij, volg mij, blijf me trouw door dik en dun. En dan sluit het aan bij wat Jezus daarna aan al zijn volgelingen zegt: Wie geen risico durft te lopen en op die manier zijn eigen leven wil sparen, die raakt het kwijt. Dat is zeker. Maar wie opkomt voor de kleine, de gekwetste, de uitgerangeerde, wie opstaat tegen onrecht, uitbuiting, oneerlijkheid, riskeert vroeg of laat met zijn hoofd tegen een muur te lopen. Maar zo iemand leeft wel echt. Dit is wat Jezus bedoelt als Hij spreekt over Gods wil. Op die manier achter Jezus staan, zijn volgeling zijn, is dan ook een opdracht voor elk van ons. Het betekent: Hem trouw blijven, zichzelf verloochenen en zijn kruis opnemen als het moet. Kruisen moeten we niet opzoeken, we moeten ze ook niet koesteren. Er is al genoeg misère in de wereld, het leven is van zichzelf al zwaar genoeg. Nee, kruisen moeten we met man en macht bestrijden. Maar ze zijn wel onvermijdelijk. En dan komt het erop aan ze toch te dragen, zoals Jezus, in vol vertrouwen, even consequent als Petrus en zoveel anderen. Wat niet wil zeggen dat dit gemakkelijk zal gaan. Petrus heeft ook zijn zwakke momenten gekend. Zelfs Jezus had het soms heel erg moeilijk toen Hij zich door God verlaten voelde.

En in de eerste lezing hoorden we de profeet Jeremia die ook toen klaagde bij JHWH omdat hij het alleen niet volhield.
Het is dan ook niet verwonderlijk als wij het soms zwaar, te zwaar vinden om Jezus tot op het kruis te volgen. Waardevolle dingen vragen nu eenmaal moeite. Trouw in een relatie, hoop bewaren bij een slepende ziekte, blijven geloven in de goedheid van mensen, vergiffenis schenken aan wie ons kwetste. Het zijn de kruisen van vandaag, onze kruisen.
Laten we hopen dat er steeds mensen zijn, als Simon van Cyrene bij Jezus, die ons, als het echt nodig is, helpen ons kruis te dragen.

21e zondag door het jaar, 23 augustus 2020

Lezingen: Jes. 22,19-23; Rom. 11, 33-36; Matt. 16, 13-20 

Het is niet een vraag die we elkaar gemakkelijk stellen, de vraag naar ons persoonlijk geloof, de vraag wie Jezus voor ons is.  Maar vandaag confronteert Jezus zijn leerlingen wel héél direct met twee vragen waarbij ze het antwoord niet uit de weg kunnen gaan. Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Wie zeggen júllie, mijn geloofsbroeders, voor wie ik al zolang jullie rabbi ben, wie zeggen júllie dat Ik ben? Het is Petrus, de onstuimige en spontane, en ook haantje de voorste, die heel persoonlijk zijn geloof belijdt.  Misschien voelt hij zich verplicht, hij was één van de eersten die door Jezus werd geroepen, achter zijn visnetten vandaan. En heeft inmiddels genoeg meegemaakt om te weten: hier is méér dan Elia, en méér dan Johannes de Doper. En hij zegt het spontaan: U bent de Christus, de Zoon van de levende God.

Ik weet niet of u het prachtige lied kent dat Trijntje Oosterhuis zingt, het is geschreven door haar vader Huub, naar Psalm 139: “ken je mij, wie ken je dan… ik zou één woord willen spreken, dat wáár is en van mij”… over kennen en gekend worden. Het is prachtig- naar wel een heel mooie Psalm.

Wie zeggen júllie dat Ik ben…   Jezus wacht niet op een simpel antwoord, ze weten wel waar Hij vandaan komt, wat Hij heeft laten zien, ze weten wat de ménsen in Hem zien.  Het is een vraag naar Ik en Gij, naar relatie… naar verantwoordelijk zijn voor elkaar. U bent de Christus de Gezalfde, die in de wereld komen zou, om te helen en inspireren en bevrijden; die echt leiding, sturing zou geven. De mensen elkaars naaste wil helpen zijn. Dat is wat Petrus met zijn geloofsbelijdenis zegt.

Het staat er niet, we weten het niet, maar voor Petrus moet, samen met destijds Jakobus en Johannes de gedaanteverandering op de berg, op Tabor een piekmoment zijn geweest. Hun Meester is in gesprek met 2 mensen van kaliber! Mozes en Elia. Wet en profeten! En ineens zien ze Hem als een gestalte in stralend en verblindend wit licht. Ze hadden het moment wel voor altijd willen vasthouden.  Wie is deze Mens!

Je naam, wie je bent (!)dat is méér dan wat op het identiteitsbewijs staat. Er zijn boekjes- en internet natuurlijk- waar je de betekenis van namen kunt opzoeken. En bij namen in de bijbel gaat er vaak een lichtje branden. Jezus is ook de Emmanuel, God- met- ons. De naam Jezus betekent: God redt; en Simon wordt vandaag door Jezus zoon van Jona genoemd, Jona, die uit zee is gered en na drie dagen- de dag van de verrijzenis(!)- veilig aan land wordt gespuwd door een vis.

Aan deze Simon bar Jona, met zijn nieuwe naam Petrus, Kefas, rots in het Grieks, draagt Jezus zijn missie over; die Hij straks zelf noodgedwongen zal moeten loslaten. Hij krijgt de sleutels van het Rijk der hemelen. Hij zal moeten sluiten en ontsluiten. Binden en ontbinden.  We kennen de uitdrukking: bij Petrus aan de hemelport aankloppen. Petrus als Poort wachter. Maar als Iemand de poortwachter is die aan het eind over mij zal oordelen, dan is dat de Allerhoogste. In de studiebijbel, een prachtig bronnenboek staat een duidelijke uitleg van deze “sleutelmacht”: aan de beweging rond Jezus, die “ecclesia”, wordt bij monde van Petrus het verkondigen van het Evangelie toevertrouwd, het houden van het dubbelgebod van de Tora: God liefhebben en de naaste als jezelf; het leven van mensen en situaties steeds dááraan toetsen en de juiste leiding geven.

Ik stel mij voor dat Petrus de sleutels als tools in handen kreeg, als vaardigheden van kennis en kunde; en van het gebed! En hij hoeft er niet alleen voor te staan en ik zie bij wijze van spreken de groep vóór mij, de twaalf apostelen, de vrouwen: Maria, de moeder dan Jezus, Maria Magdalena, Maria, de moeder van Klopas, heel dat college van adviseurs m/v… De groeiende beweging, die wij Kerk zijn gaan noemen en gaandeweg een instituut is geworden met een Hoofdzetel en plaatselijke kerken.  “Die kerk is… of hoort te zijn… waar wij in het voetspoor van Christus de liefde bewijzen aan elk mensenkind” zoals wij zegden in het “Lied van de kerk”.

Afgelopen herfst waren we in de Sint Pieter, voor mij weer voor het eerst na bijna 30 jaren. Hoog opkijkend in de koepel boven het graf van Petrus staat het er in letters van een meter hoog: Jij bent Petrus en op jou zal ik mijn kerk bouwen en ik zal je de sleutels geven van het rijk der hemelen. Een overweldigende basiliek, gebouwd uit eer aan God, maar immens en triomfalistisch.  Maar het raakte mij evengoed om daar te staan.  Als u de St Pieter kent, velen van u, denk ik, dan heeft u misschien ook de voet van Petrus aangeraakt, die inmiddels behoorlijk is afgesleten. En heeft u de prachtige Pieta gezien: Maria met een heel jong en sereen gezicht, haar dode Zoon in haar schoot.

En ik mijmer: Hoe zou het geworden zijn als boven in die koepel, met letters van een meter hoog had gestaan: Jij bent Maria, Moeder van Gods Zoon, Moeder van de kerk, Troosteres der bedroefden… Aan jou draag ik over de sleutels…

Maar deze Petrus heeft niet gevraagd om dit zware ambt. Hij heeft zijn volgeling van Jezus zijn met de dood- aan het kruis- moeten bekopen. Het werd hem misschien juist toevertrouwd vanwege zijn zwakke momenten, zijn fouten en gebreken. En in tegenstelling tot de zo feilbare en menselijke Petrus, is Maria, zijn Moeder naast hem blijven staan bij het kruis. 

Petrus is mens, zoals wij, gelovigen onderweg met vallen en opstaan; naar het Rijk der hemelen. Deze levende gemeenschap. God kent ons. In al onze gebrekkigheid De schat van het geloof wordt ons gegeven. Wij zijn er samen verantwoordelijk voor het uit te dragen. Draag uw sleutel met zorg en liefde!

Ik eindig met een uitspraak van Paus Franciscus, uitgesproken op de dag van de pauskeuze, 13 maart 2013:

“Wij allen, christenen klein maar dapper in de liefde van God, zijn geroepen zoals de heilige Franciscus van Assisi om zorg te dragen voor de kwetsbaarheid van de mensen en de wereld waarin wij leven”