Categorie: Overwegingen

13e zondag door het jaar, 27 juni 2021

Inleiding
U ben allen van harte welkom, of liever: wij mogen elkaar welkom heten in Gods huis, op deze prachtige hoogzomerse zondag. Zonder mondkapje! Voor veel mensen een zegen, zeker voor hen die wat moeite krijgen met het gehoor.
De “gewone” groene zondagen, buiten de hoogfeesten, die geven ons de gelegenheid om Jezus te volgen op zijn weg. Om Hem te ontmoeten en steeds beter te leren kennen. Vorige week hoorden we het verhaal van de storm op het meer, en Jezus’ woord: “Vrees niet, hebben jullie dan geen geloof”.
Ook deze zondag staan de lezingen in het teken van moed, van durven, maar zeker van geloof; in het verhaal van de vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen leed en het welbekende verhaal van het dochtertje van de synagoge- overste Jaïrus
Meerdere dichters schreven over haar!
Twee verhalen over opnieuw leven, over opstaan!
Het is bijna vakantietijd, een tijd voor wat meer rust en bezinning. Een tijd om ons bewust te zijn van ons leven en daar tegen God “dank je wel” voor te zeggen.

Overweging
Over aanraken en aangeraakt worden, gaat het vandaag. Aangeraakt worden betekent dat jouw leven ertoe doet.
Een aanraking die leven schenkt.
Afgelopen week naar aanleiding van de corona versoepelingen stonden er foto’s in de krant van een moeder en dochter, een jonge vrouw en haar hulpverleenster, en zo nog een aantal met de kop: “de knuffel is terug”.
Voorzichtig gebeurt het weer: kleinkinderen die hun opa en oma omhelzen, een dochter die haar moeder weer durft bezoeken. Velen veren en leven ervan op, na de angstige tijd van fysieke afstand. En het heeft menigeen veel gedaan, tot schrijnende situaties van eenzaamheid toe.
“Hij heeft alles geschapen om te leven, niet voor hun ondergang”, hoorden we in de lezing uit Wijsheid.
Misschien kunnen we het daarom goed meevoelen, de vrouw die al twaalf jaren vloeide en zich arm heeft betaald aan doktersbezoek. Wettisch onrein werd ze, uitgestoten uit de gemeenschap, op afstand, alleen.
Zo was het : wie haar aanraakte, te dichtbij kwam, zou zelf onrein worden, hetzelfde lot ondergaan. Een vrouw, niet hoog in aanzien, uitgebuit, Ze heeft helemaal niets meer te verliezen. En als ze over Jezus hoort, dringt ze zich naar voren, waar Hij is. Hoe dapper! En hoe wanhopig moet je dan zijn. En ze raakt zijn kleed aan. Ze gelóóft dat dat al genoeg is.
Jezus voelde het direct. En het maakte hem niet onrein!. Integendeel, er ontstaat contact. U kent misschien het verhaal van de melaatse. Hij werd door Jezus aangeraakt en genas. En twee van zijn beroemde volgelingen, de H. Franciscus van Assisi en Paus Franciscus deden evenzo, vol compassie iemand omhelzen die een uitgestotene was, een paria, door een huidziekte of melaatsheid. 
Zij, de vrouw, levend dood, wordt een levende ziel. Het contact met Jezus maakt een mens rein. We mogen bij Hem steeds opnieuw beginnen.
Toch is Jezus’ vraag, zijn uitnodiging, voor haar nodig. Om zich te laten zien, om “uit de kast te komen”, uit de anonimiteit, te midden van de menigte. Da vraagt moed. En die had ze!. Want hoe risicovol was dat voor haar.
In haar nieuwe leven ontvangt ze een naam! “Dochter” noemt Jezus haar. En dat betekent veel. Ze was naamloos. Zoals zoveel vrouwen dat zijn, die we misschien niet met name kennen, maar wel hun situatie van uitbuiting, misbruik, onderdrukking. Die keihard werken om hun gezin te voeden, weinig erkenning krijgen. Maar die in zoveel landen, denk aan Afghanistan, waar de taliban meisjes belet naar school te gaan, als tijgers vechten voor vorming en scholing en emancipatie van hun dochters.
En terwijl ik dit schrijf staat achterop de zaterdagkrant een meisje met een schattig koppie. En de tekst: meisjes veranderen de wereld…om toekomst voor die meisjes.
“Dochter” noemt Jezus haar; dochter van Israël. Daarmee ontvangt ze recht van bestaan, waardering, een identiteit. Als lid, opnieuw, van de gemeenschap. Ze kan haar plaats innemen en haar verantwoordelijkheid nemen.
Deze vrouw het is de hoop die haar kracht geeft om een taboe te doorbreken. Voor Jezus was het zijn missie, het Huis van Israël op te bouwen, een hernieuwde gemeenschap waar niemand verloren loopt, allen broeders en zusters in God.
Immers, in de ander is er de Ander, met een hoofdletter.
De tweede gebeurtenis is ineengevlochten met de eerste, of andersom. Het dochtertje van Jaïrus. Dochter ván…want ook haar eigen naam wordt niet genoemd. Twaalf jaar, op het punt van vrouw zijn, huwen, kinderen baren. Een hele stap als “dochtertje van”. is da wat haar verlamt? Opzien tegen die nieuwe fase in haar leven, haar eerste menstruatie, volwassen worden, het loslaten van thuis?
Het meisje was dood gewaand, gezien het rouwmisbaar. Maar Jezus pakt haar hand en zegt: kom maar, wees niet bang. je hebt je eigen weg te gaan, stap voor stap. Maar je gaat niet alleen.
Aanraken en aangeraakt, bewogen worden, letterlijk en in woorden van nabijheid. Zonder kunnen we niet. Zonder leef je niet. Dat we elkaar helpen opstaan, doen wat Jezus deed. Zonder vrees. Daar getuigen deze twee opstandingsverhalen van.
U weet dat onze Orde dit jaar 900 jaren bestaat. Corona frustreerde een aantal activiteiten. Maar het thema staat als een huis: met God bij de mensen zijn. Die twee!
Nu ziet u al de hele tijd een klein schilderijtje staan, het is een Paasikoon; Christus die Adams hand neemt, van dood tot leven wekt. Daaronder staan de verzen 23 en 24 uit psalm 73.
Precies die woorden zijn verwerkt in de meditatie achter op uw boekje van Thomas Merton. Neemt u het boekje mee naar huis, het is waardevol. En ik lees die woorden: Ik zal niet bang zijn want Gij zijt steeds bij mij
En Gij zult mij nooit aan mijn lot overlaten om mijn gevaren alleen te doorstaan.
U bent bij mij en leidt mij door Uw raad.
Moge dat zo zijn!

12e zondag door het jaar, 20 juni 2021

Het staat nog op ons netvlies gegrift. De oude, eenzame paus, kwetsbaar op de trappen in het Vaticaan. De regen valt in stromen over de straten van de stad. In de verte sirenes van ziekenauto’s op weg naar het ziekenhuis met een coronapatiënt. Het was nog maar eind maart vorig jaar en we wisten niet wat er allemaal nog zou komen aan pandemie, lock downs, overheidssteun, isolatie en quarantaine en noem maar op. Het onbekende en onbeheersbare maakte ons bang. We wisten niet wat er allemaal nog kwam. Dat maakte ons angstig. Een medicijn was er nog niet. Alleen wat maatregelen om de besmettingen tegen te gaan. Anderhalve meter afstand, gesloten terrassen, handen wassen, bezoeken reguleren. En nog is er weer een golf en zijn er twee golven nodig om het virus te onderdrukken.

Even staan we als mensheid stil bij wat er allemaal is gebeurd en wat er nog staat te gebeuren. En ook die onzekerheid maakt ons bang, angstig. Angst voor de toekomst, angst voor het onbekende, voor het onbeheersbare.

En wat doen wij tegen die angst, wat kunnen wij? Alleen maar stil afwachten tot er een vaccin is. Eerder een bewust meewerken door de maatregelen in acht te nemen en eigen verantwoordelijkheid op te pakken. Wegen zoeken om zo goed en sociaal met elkaar om te gaan. We gingen en gaan naar verpleeghuizen om mensen te ontmoeten. We organiseerden bijeenkomsten om elkaar te bemoedigen en te troosten.

We zochten redding uit benarde tijden en oorden, We gaven mensen het vertrouwen in handen om ons te leiden naar die toekomst. We zochten voor onszelf en voor anderen woorden van troost bij de uitvaarten in kleine groepen. We zochten in de techniek naar wegen om elkaar toch te ontmoeten, en te vergaderen. En zo kwamen we die twee golven door. Hoewel? Hoeveel mensen hebben de strijd tegen het virus verloren. Al die families die naasten hebben moeten afstaan aan de dood. We zoeken redding bij mensen, dichtbij en ver weg. Ik las de regelmatig verschijnende bemoedigingsbrief van de bisschoppen. We luisterden geboeid naar de woorden van de koning. En we werden er door getroost.

We zochten ook redding in de natuur. Niet alleen door de wandelingen in de bossen, Daar was meer bewegingsvrijheid. Maar de natuur geeft ons ook kracht. De altijd maar rollende golven, de ruisende bomen, die vliegende vogels. Dat ging allemaal door, corona of niet. Dat gaf ons een beetje houvast, een steun dat niet alles verandert.

En bij God? Zochten en vonden we bij Hem steun en troost? De paus nam niet voor niets het verhaal van de storm op het meer, als uitgangspunt. In dit verhaal worden we geconfronteerd met de angst van  de leerlingen, de angst van ons. Het water gaat gruwelijk te keer, stroomt over het dek, ze dreigen te vergaan. Zoals wij dreigden te vergaan in de bestrijding van de pandemie. En dan Jezus, rustig slapend in de boot. Alsof er niets aan de hand is. De leerlingen zochten hun heil bij Jezus. Niet een oplossing, maar medeleven en medelijden zochten ze. Ze verwachten dat Jezus ook maar iets van emotie laat zien. De leerlingen vragen zich af het het Jezus wel iets doet, als ze vergaan.

Jezus komt hen tegemoet en brengt de storm tot bedaren; het water reageert. Jezus vraagt zich af hoe het komt dat ze geen geloof hebben. En dat greep de paus aan om de angst tot bedaren te brengen. Het vertrouwen en het geloof, maar ook zijn kwetsbaarheid, brengt redding. Niet door achterover te leunen en af te wachten. Nee, door daadwerkelijk samen de angst te overwinnen. En dat kan alleen maar door vertrouwen en geloof. Vanuit het vertrouwen dat de storm gaat liggen; komt het geloof dat er daadwerkelijk iets gaande is. Eerst vertrouwen en geloven, dan kunnen we ook zien dat dat geloof redding brengt.

Wees niet bang en wees dan ook elkaars steun. De leerlingen zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Samen zullen ze er moeten staan. Samen zullen ze hun geloof handen en voeten geven. Het blijft niet bij mooie woorden en gedachten. De vele andere boten, ook in stormweer, zullen ook gered moeten worden.

Angstige mensen kunnen zo tot geloof gebracht worden. Wanneer we ervaren dat in de storm van ons leven, het vertrouwen wordt gezien. We bestrijden de corona alleen als we samenwerken. Samen worden we gered in de storm van ons leven. Daar mogen we op vertrouwen, daar mogen we in geloven, met Gods hulp.

Feest van de Heilige Drie-Eenheid, 30 mei 2021

Lezingen: Deut. 4,32-34.39-40; Rom. 8,14-17; Mt. 28, 16-20

Inleiding
Van harte welkom, u allen, om samen met onze gemeenschappen eucharistie te vieren.
Als bijna vanzelfsprekend openden we de viering met een kruisteken: In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest – drie namen voor die één en dezelfde God, die nog zoveel méér namen draagt:
–Ik zal er zijn
–Eeuwige
–Enige…
Het geheim van Gods aanwezigheid kunnen we nauwelijks in mensenwoorden uitdrukken.
–God is er als een Vader, die ons liefdevol omarmt;
–God is er als een Zoon, die ons – als mens – Gods liefde heeft voorgeleefd;
–God is er als de Geest, die ons, vanaf de schepping, leven en geestkracht geeft.
Mogen we tijdens deze viering die onnoembare, Drie-ene God ontmoeten, in de woorden die we spreken en in het Brood dat we delen  met elkaar.

Overweging
De elf leerlingen trekken naar Galilea en gaan boven op een berg staan, die Jezus hen heeft aangewezen. Ik weet niet om welke berg het gaat. Dat heb ik nergens in het evangelie gevonden. Het doet er waarschijnlijk ook weinig toe. Het voornaamste is dat zij een overzicht krijgen, dat zij kunnen terugblikken op wat geweest is.
Als wij zo terugblikken op de voorbije vijftien maanden, dan heb ik niet de indruk dat wij nu op een berg staan. Door alle perikelen rondom corona is onze leefwereld enorm verkleind, is onze vrijheid beperkt en maken velen zich zorgen om de toekomst.
Het voelt voor mij soms als een wereld die in stukken ligt. We worden geconfronteerd met verdergaande individualisering, met de gevolgen van de uitbuiting van de aarde, met de steeds schrijnender wordende kloof tussen arm en rijk.
Ik stel er me vragen bij: Wat doen we met Jezus’ erfenis? Waar zijn we mee bezig, tweeduizend jaar later?

Onwillekeurig verschijnt bij mij het beeld van een legpuzzel. Puzzelen is voor mij een ontspannende bezigheid, een manier om mijn hoofd leeg te maken. Een grote plaat met een puzzel erop of een digitale puzzel op mijn tablet.
Maar bij het beeld van déze legpuzzel vraag ik me af: Past de puzzel in elkaar of valt hij juist uit elkaar?
Die puzzel van Jezus’ erfenis is behoorlijk ingewikkeld. Hoe begin je daar eigenlijk aan? Er zit geen voorbeeld bij en de omschrijving is nogal vaag. De puzzel lijkt nogal abstract.
Stel je een aantal ervaren puzzelaars voor, die er toch mee aan de slag gaan. Op basis van de uiteenlopende kleuren en vormen gaan zij er in eerste instantie van uit, dat er verschillende puzzels door elkaar geraakt zijn. Als ze na een tijdje ieder een stukje tekening bij elkaar krijgen en de grote stapel puzzelstukken in het midden van de tafel een beetje begint te slinken, krijgen ze ieder een idee waarmee ze bezig zijn.

Eén puzzelaar weet duidelijk dat zijn puzzel ‘spiritueel’ is. Een andere vindt er tal van vertrouwde,
huiselijke, traditionele elementen in, die hij ouderlijk, ‘vaderlijk’ of misschien wel ‘moederlijk’ zou willen noemen. Een derde vindt er dan weer veelal jeugdige elementen in die hij, vergeleken bij het ‘vaderlijke’ van zijn collega, eerder ‘de zoon’ zou willen noemen.
Maar er zijn nog meer puzzelaars… Naar gelang het aantal overgebleven stukken slinkt, merken zij dat ze niet aan drie of meer verschillende puzzels werken, maar dat alle onderdelen samen één geheel maken. De beelden lopen door elkaar, vullen elkaar aan en vormen één geheel. Naar gelang de invalshoek, zou je kunnen zeggen: dit is de Zoon, of neen, dit is de Vader. Héél even maar, zoals de lichtinval op de veren van een eenvoudige duif, kan de kleur overwegend grijs zijn, maar soms stralend blauw of glanzend rood oplichten.

Misschien voelt u het al aankomen! Wij vieren vandaag het feest van de Heilige Drie-eenheid, de Heilige Drievuldigheid, en daar wil ik per se iets over vertellen. Terwijl wij hier bij een berg zitten,
die eigenlijk een puinhoop is van brokstukken.
Mijn puzzelverhaal lijkt een beetje op het Bijbelverhaal over de ‘toren van Babel’, maar dan omgekeerd. De bouwers in Babel raakten van verwarring uit elkaar. Bij het maken van de puzzel vinden mensen juist elkaar en groeien langzaamaan naar elkaar toe. Tot zij door elkaar geráákt worden en de weg naar God vinden.

Al is het maar een puinhoop, een berg van brokstukken, toch kunnen wij, net als de leerlingen van Jezus, op die berg gaan staan. Want ook voor ons is het belangrijk dat wij opnieuw een overzicht krijgen; dat wij van een afstandje kunnen kijken naar wat er is of zou moeten zijn. Dan pas kunnen wij gaan puzzelen aan wat ons van de Zoon, de Vader en de Geest overgebleven is. Die grote puzzel waarvan wij zelf de onderdelen, de puzzelstukken zijn.
Wat moet je doen om te vechten tegen de negatieve invloed van mensen die er, door hun manier van leven, voor anderen een puinhoop van gemaakt hebben? Wat moet je doen om op te boksen ‘tegen een stroom’ van mensen, die hun eigen haan koning laten kraaien, die geen boodschap hebben aan vrede en gerechtigheid?
Misschien moet je wel zelf ‘in de stroom’ gaan staan. Door met gelijkgezinden Jezus’ erfenis handen en voeten te geven. Door in het klein of in het groot te werken aan een wereld zoals God die heeft bedoeld. Door je te laten raken door mensen die het goede met anderen voor hebben.

In de mate waarin mensen door elkaar geráákt zijn, hebben zij iets unieks, iets goddelijks in zich. Zijn wij misschien, op die manier, zelf ook een deel van die goddelijke puzzel?

Tweede Pinksterdag, 24 mei 2021, Maria, Moeder van de Kerk

Heel veel mensen weten dat ik afbeeldingen van het Laatste Avondmaal verzamel. Wanneer ze dan in een kerk komen met een Laatste Avondmaal, kopen ze daar een kaart van of maken zelf een foto. Regelmatig moet ik mensen dan teleurstellen want dan blijkt het een afbeelding van Pinksteren te zijn. Voor ingewijden is het verschil wel duidelijk. Bij Pinksteren wordt er meestal iets van de Heilige Geest afgebeeld. Iets van een duif die over het hele gezelschap vliegt en de vleugels uitspreidt. Dat zijn de tekenen van Pinksteren. Bij het Laatste Avondmaal gaat het om brood en wijn en het delen daarvan.

Een ander verschil is nauwelijks zichtbaar. De apostel Judas is er niet meer bij. Maar Mattias heeft zijn plaats ingenomen. Het zijn er nu dus weer twaalf. Alleen hebben de allemaal een gouden aureool. 

Het grote verschil is dat in het Laatste Avondmaal Jezus als groots middelpunt wordt weergegeven. Bij een afbeelding van het Pinksterverhaal, is Maria het grote middelpunt. Daarmee staat ze aan het allereerste begin van de kerk, die met Pinksteren haar ontstaan gedenkt.

Maria was er bij toen Jezus geboren werd; ze was erbij toen hij voor het eerst handelde in Kana, ze was er bij toen de tocht naar Golgotha begon. En ze stond onder aan het kruis bij zijn dood. Als hoogtepunt was ze bij het gebeuren van Pinksteren. Maria, de moeder van Jezus Christus, wordt zo de moeder van de kerk.

Zij zal de gemeenschap helpen om haar diaconale taak te realiseren. Geïnspireerd door de geest en aangewakkerd door Maria. Zij was erbij toen de ramen en deuren opengingen. Zij was erbij toen iedereen verstond en begreep wat Jezus bedoelde met zijn koninkrijk. Zij zal de gemeenschap eeuw na eeuw leiden in moeilijke tijden, in tijden van dreiging en geweld.

Als moeder staat zij achter haar kinderen om hen op weg te zetten; als moeder loopt zijn voor haar kinderen uit om de weg te wijzen; als moeder staat zij naast haar kinderen om hen in bescherming te nemen. Zo wordt Maria moeder van de gemeenschap. Moeder van de kerk. De trooster bij uitstek.

Pinksteren, 23 mei 2021

Lezingen: Hand. 2, 1-11; Gal. 5, 16-25; Joh. 15,26-27. 16,12-15

Inleiding
Heel hartelijk welkom in onze kapel. Fijn dat we hier samen zijn gekomen om ons te laten inspireren. Dat geldt vandaag heel in het bijzonder, omdat we vandaag Pinksteren vieren het feest van de gave van de geest. Ik moet hierbij denken aan een promotie bij ons op de Universiteit in Amsterdam, in de tijd dat ik theologie studeerde. De rector zou de plechtigheden openen met gebed. Ik wilde er even goed voor gaan zitten, maar toen was de rector al klaar. Zo kort was het gebed. Waarschijnlijk heb ik het daarom ook kunnen onthouden. “Kom Schepper Heilige Geest,vervul ons hart en ons verstand. Amen.”

Het is Pinksteren. Ieder jaar opnieuw komen de grote feesten langs om ons even uit de sleur van alledag te trekken, om even een pas op de plaats te maken. Vier grote feesten die ons leven markeren, die onze levensvragen betrekken op de oeroude verhalen uit de Schrift. Vier feesten die ons als het ware in de verhalen trekken. We maken het steeds ook zelf mee. In deze grote feesten zetten we de woorden om in daden. Dat wat geschreven staat, laten we steeds opnieuw gebeuren.

Met Pasen staan we stil bij de opstanding van Jezus het feest waarin we verdriet, verwarring en hoop ervaren en beleven. Vorige week donderdag stonden we stil bij Hemelvaart waarbij verwarring en een gevoel van verlatenheid de boventoon voeren. Om het wat oneerbiedig te zeggen; de vogel is gevlogen, maar wat moeten wij nu? Op deze laatste vraag biedt het feest van Pinksteren mogelijk een antwoord. We vieren de komst van de schepper heilige geest, waar ons hart en ons verstand vol van mag zijn.

Overweging
Kerst, Pasen, Hemelvaart of Pinksteren, voor de meeste mensen in deze tijd is het één pot nat. Een van mijn studenten schreef ooit in een werkstuk in het kader van de grote christelijke feesten over Witte donderdag, Goede Vrijdag en Zwarte zaterdag. Dat de uitdrukking ‘het zal gebeuren als Pasen en Pinksteren op een dag vallen’ een onmogelijkheid aangeeft, gaat aan het grootste deel van de mensen voorbij. Dit jaar viert onze orde feest. We gedenken dat het 900 jaar geleden is dat Norbertus in Prémontré onze orde heeft gesticht. Die start was op kerstnacht 1121. In mijn overdenking van vandaag wil ik aantonen dat Norbertus toen Kerst en Pinksteren op één dag liet vallen.

Je kunt je afvragen wat Norbertus – en al die vele mannen en vrouwen na hem – bezield heeft om in gemeenschap te leven volgens de drie Evangelische Raden: gehoorzaamheid, ongehuwd leven en gedeeld bezit. Of in de woorden van Abt Baeten: leven met een open oor, met een open hart en met open handen. Wat heeft hem en al die anderen geïnspireerd? Met deze vraag zitten we in het hart van Pinksteren.

Pinksteren is het feest van de Heilige Geest. In het eerste boek van de Schrift, in het eerste vers van het eerste hoofdstuk, is het woord geest al te vinden: ‘De Geest van God zweefde over de wateren.’ (Gen. 1,1).  De taal van het Oude Testament is het Hebreeuws. Geest is in deze taal ruach, wat adem betekent. In dit eerste vers staat dus geschreven dat de adem van god over de wateren zweefde.

In Genesis hoofdstuk twee verschijnt de geest opnieuw in het verhaal. Het is in het verhaal van de schepping van de mens. God geeft de geest. Dit is niet een passage uit de Bijbel waar geschreven staat over het sterven van god. Immers als een mens de geest geeft, betekent dit dat hij sterft. De mens blaast zijn laatste ruach, zijn laatste adem uit. In Genesis twee geeft god letterlijk de geest. Uit het stof van de aarde boetseert god de mens. Een levenloze materie, meer is dit boetseersel niet. Tot de ruach, de adem van god in de mens geblazen wordt. Door deze ruach, door de geest van god wordt de mens een levend wezen.

Ook in het Nieuwe Testament speelt de geest een belangrijke rol. In dit deel van de Bijbel wordt beschreven dat Jezus de geest geeft. Jezus blaast aan het kruis zijn laatste adem uit. Hij sterft, ‘Nog eens schreeuwde Jezus het uit, toen gaf hij de geest.’ (Mat. 27,50). De dood echter heeft niet het laatste woord. Het wordt Pasen, de dood gaat voorbij. In het boek ‘Handelingen van de apostelen’ geeft Jezus opnieuw de geest. Dat is wat we nu, met Pinksteren, gedenken. De geest komt over de apostelen. Vol vuur gaan ze op weg (Hand. 2, 1 – 4). Ze gaan op weg in het voetspoor van Jezus. Kortom; de geest maakt je mens en zet je in beweging.

Dit hebben we in de eerste lezing kunnen horen. ‘De leerlingen van Jezus zaten op dezelfde plaats bij elkaar.’ Er is als het ware geen beweging in te krijgen. Ze zijn lamgeslagen, doods. Maar dan gebeurt er iets bijzonders. Ze worden vervuld van de heilige Geest en komen in beweging. Ze trekken erop uit om de Blijde Boodschap te verkondigen aan alle mensen. En in de ontmoeting met de ander gaan ze in gesprek. Wat ze zeggen is zodanig dat ze iedereen weten aan te spreken. Dat wat ze zeggen wordt gehoord én verstaan.

Dit kan volgens mij allen vanuit een grondhouding waarin je je open durft te stellen naar de ander. Vanuit een open luisterhouding hoor je de vragen van de ander. Een ongestelde vraag kun je niet beantwoorden. Jouw woorden kunnen pas binnenkomen als het raakt aan een mogelijk antwoord op een vraag van de ander. Tegelijkertijd kan die ander jou pas verstaan als ook hij de openheid heeft om echt te luisteren. Zo in openheid voor elkaar en met elkaar leven is leven in gehoorzaamheid aan elkaar.

Daar zie ik een link naar een van de drie evangelische raden: De gelofte van gehoorzaamheid, de gelofte van een open oor. Vanuit de tekst van Handelingen kunnen we stellen dat er goed gesproken en goed geluisterd wordt. Er is geen sprake van eenrichtingsverkeer. Eerder is er sprake van een dialogische gehoorzaamheid. Vanuit die open luisterhouding kun je woorden horen die je in vuur en vlam zetten, die je zodanig raken dat je in beweging wordt gezet waarbij je het bekende en vertrouwde los durft te laten om je open te stellen voor iets nieuws. En het gaat niet om zomaar iets nieuws. Het gaat hier om het Goede Nieuws; het Evangelie.

Die open luisterhouding leidt ook tot een weg naar binnen. Het laat je luisteren naar je diepste innerlijke roerselen, naar je intuïtie. Vanuit dit basisvertrouwen in jezelf kun je je openstellen en op weg gaan naar de ander. Die ontmoeting kan zodanig zijn dat ze je op het pad zet naar wat ons overstijgt. Daarin zou je de werking van de geest kunnen herkennen. De geest die waait waar ze wil. De geest die mensen openbreekt en aanzet tot broederschap en zusterschap. Want in de brief van Paulus aan de Galaten hebben we kunnen lezen dat de vrucht van de Geest de liefde is. De liefde trekt je boven jezelf uit. De liefde trekt jou naar de ander en plaatst jou en de ander in een groter perspectief.

Deze woorden associeer ik met de gelofte van een open hart en van open handen. Een open hart voorkomt een houding van zelfzucht en egoïsme en trekt ons boven het ik-gerichte leven uit. Het maakt ruimte voor een samen-leven. Dit leidt bijna automatisch tot een leven met open handen omdat je vanuit de liefde gehoor wil geven aan de roep van de ander. Open handen die kunnen ontvangen en die kunnen geven. Delen van wat je hebt en van wie je bent. De geest maakt je mens en zet je in beweging naar je mede-mens. Bijbels spreken over de mens is altijd spreken over de mens als mede-mens. In deze tijd van verregaande individualisering, kan dit een frisse tegenwind zijn.

Er is een jij nodig om ik te kunnen zijn. Het gaat om de relatie. Martin Buber heeft dit op een bijzondere wijze beschreven in zijn boek: ‘Ik en Jij’. ‘In den beginne is de relatie’ zo schrijft hij in zijn inleiding. Het kruis toont symbolisch de relatie tussen ik en jij. In de horizontale relatie tussen mensen onderling is de diepgang van de verticale relatie aanwezig. Als er twee of drie in Mijn Naam bijeen zijn, ben Ik in hun midden. God liefhebben is je naaste liefhebben, is jezelf liefhebben. Bijbelse spiritualiteit is relationele spiritualiteit. Ik kan niet ademen, ik kan niet leven zonder de ander. Jij bent het die mij ik maakt. Ik mag voor jou een jij zijn waardoor ook jij ik kan worden; samen mens-worden.

Spreken over menswording binnen de Christelijke traditie, doet mij direct aan Kerst denken. Het kerstfeest is het feest van de menswording. God is in Jezus mens geworden. In dat kleine kwetsbare kind laat god zichzelf kennen. En daarmee is de cirkel rond. In dit kleine kwetsbare kind verschijnt de vrucht van de Geest: Liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid en ingetogenheid (Gal. 5,22).

In die geest begon Norbertus 900 jaar geleden zijn beweging door samen met zijn eerste medebroeders in Prémontré op die kerstnacht van het jaar 1121 te beloven te leven met een open oor, een open hart en open handen.

Op die kerstnacht gebeurde Pinksteren.

Hemelvaart, 13 mei 2021

Lezingen: Hand.1, 1-11; Ef. 4, 1-1-13; Mt. 16, 15-20

Overweging

Zowel in de eerste lezing als in het evangelie horen we het verhaal van het afscheid van Jezus van zijn leerlingen. En we weten: een afscheid doet pijn, het is soms moeilijk te verwerken. Zeker als zo’n afscheid definitief is, zoals een overlijden. Maar Jezus’ afscheid is geen overlijden, wel een afscheid bij het leven.

Hoe voelen de leerlingen zich daarbij? En die leerlingen, wie zijn dat eigenlijk? Het zijn jonge mannen die enkele jaren voordat ze alweer afscheid van Hem moesten nemen, alles hadden achtergelaten om Jezus te volgen: hun familie, hun vrienden, hun beroep, ja misschien zelfs wel hun gezin. Waarom hebben ze dat gedaan? Omdat ze hoge verwachtingen koesterden. En die verwachtingen, dat zijn niet de verwachtingen van Jezus zelf. Dat komt geregeld tot uiting in alle vier evangelies. Jezus belooft zijn leerlingen dat zij zullen worden gezegend met de heilige Geest. Zij stellen daar geen vragen bij, ze reageren er niet eens op. Ze vragen wel of Hij nu het koninkrijk van Israel zal herstellen. Want dat is wat hen echt interesseert, dat is de verwachting die zij koesteren. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom ze Hem gevolgd zijn. Omdat ze hoopten dat Hij de Romeinse bezetter eruit zou jagen en opnieuw het koninkrijk van David op zou richten.

En misschien komt nu wel de vraag op waar wij zelf staan, wat onze verwachtingen zijn. Wat is ons geloof, en wat en hoe is onze hoop. Hebben ook wij, net als de apostelen, alleen maar puur wereldlijke verlangens? Verwachten wij ook dat God die verlangens zal vervullen? Of twijfelen wij ook wel eens, net als de leerlingen?
Zoals altijd kunnen we toch maar het beste naar Jezus luisteren. Op de vraag van zijn leerlingen of Hij het rijk van Israel herstelt, antwoordt Hij: “Het komt U niet toe dat uur te kennen die de Vader in zijn macht heeft vastgesteld.” Hij herhaalt dat de Geest over hen zal komen. En die Geest komt niet om menselijke en wereldlijke macht te verwerven, maar om overal van Hem, van Jezus dus te getuigen. Van Jeruzalem tot het einde van de wereld. En in het evangelie zegt Hij hetzelfde, alleen met andere woorden. Maak alle die mij volgen tot mijn leerlingen, zegt Hij daar. En Hij voegt eraan toe: En wees er gerust op: Ik ben altijd en alle dagen met u, tot aan de voleinding van de wereld.

De hemelvaart van Jezus is dus geen afscheid, integendeel. Het is een viering van de blijvende aanwezigheid van Jezus onder ons. En van zijn zending die Hij aan zijn leerlingen en aan ons gaf. Die zending heeft niet te maken met puur menselijke en puur wereldlijke verlangens en verwachtingen. Het is dus ook niet verwonderlijk dat die twee mannen in witte gewaden, die twee engelen, aan de apostelen vragen waarom ze naar de hemel staan te staren. Nee, dat moeten ze niet doen, naar de hemel staren. Ze moeten zich inzetten op aarde, dat is hun opdracht. Zich inzetten voor de boodschap van Jezus, de leer van Jezus, het enige gebod van Jezus, en dat is: hou van God en hou van de mensen. 

Lieve mensen, die boodschap geldt ook voor ons: dat ons geloof niet herleid wordt tot verwachtingen en wensen waar alleen wijzelf beter van worden. Maar dat we leven naar Jezus woorden en daden. Met de zekerheid van de mooie belofte die Hij ooit heeft gedaan; “Wees er maar gerust op”, zegt Hij, “ik ben altijd en alle dagen met u, tot aan de voleinding van de wereld.” Als er vandaag iets te vieren is, is het wel dat Jezus blijvend onder ons zal zijn.

6e zondag van Pasen, 9 mei 2021

Lezingen: Hand. 10,25-26.34-35.44-48; 1 Joh. 4,7-10; Joh. 15,9-17

Zusters en broeders,
Er zijn veel dingen waar ik blij van word: mooie muziek, lekker koken en er samen met anderen van genieten, in vertrouwd gezelschap een wandeling maken en ondertussen praten over wat ons bezighoudt. Blij word ik ook op een plek die me stil maakt en inspireert. Me blij en tevreden voelen is een heerlijke ervaring.
Vreugde is, denk ik, veel meer dan blijheid. Vreugde is intenser, dieper. Vreugde heeft voor mij met geluk en liefde te maken, met verbondenheid van hart. Je kunt dat bijvoorbeeld zien bij twee geliefden, die helemaal in elkaar opgaan, die als het ware in elkaar verzonken zijn. Hun hart lijkt over te lopen van vreugde. Het is verrukking, vervoering! Woorden schieten te kort; het maakt hen sprakeloos.

Als een groot en kleurrijk boeket bloemen (vandaag misschien wel een Moederdagboeket!) in je kamer, staat midden in het evangelie van vandaag die ene tekst:
‘Dit zeg ik u opdat mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen moge worden’.
Ja, u hebt het goed gehoord! Er staat echt ‘mijn vreugde’. De vreugde die Jezus zelf ervaart wenst Hij ons toe. Het is die allesomvattende en overstelpende vreugde van de liefde van zijn Vader-God in hem. Het is de vreugde om de eenheid en de verbondenheid tussen God en zijn veelgeliefde Zoon.
Is die vreugde zoiets als de vervoering van de verliefdheid? Dat is heel goed mogelijk. In het Hooglied wordt over deze vreugde geschreven in de taal van de liefde. En als je het werk van grote mystici als Hadewych en Ruusbroec leest merk je, dat ze over hun gebedservaringen hebben geschreven in dezelfde bewoordingen als verliefden schrijven over hun geliefde. Maar deze mystici hebben ook geschreven over de duistere nachten van dorheid en afwezigheid van ieder gevoel van liefde. In dagen van eenzame verlatenheid hebben ze hun geliefde God ervaren als totaal afwezig. Ook zij waren soms ten prooi aan twijfel en ongeloof.

Het boeket bloemen in onze kamer zal verwelken. We zullen de bloemen moeten vervangen om weer te kunnen genieten. Maar de vaas, die de bloemen bij elkaar houdt, zal blijven. De vaas kan ook een hele tijd leegstaan. Ook verliefdheid verflauwt. De glans en de gloed gaan eraf.
Maar als de relatie goed is blijven de geliefden bij elkaar; dan blijft er intimiteit en verbondenheid. Soms zegt men wel eens over een bejaard stel: ‘Ze zijn nog steeds gek op elkaar!’ Dat betekent dat ze nog graag bij elkaar zijn; dat ze verlangen naar samen zijn, naar een warme knuffel van elkaar,
naar een lieve zoen. En er zijn die vele lieve, kleine, warme attenties.
De bloemen van de verliefdheid zijn verwelkt, maar werden vervangen door de bloemen van zachte tederheid waarmee ze elkaar omgeven. Zij komen nog altijd thuis bij elkaar. Er is die blijvende onderstroom van verweven zijn met elkaars leven, niet kunnen zonder de ander. Leven geven voor elkaar’.

‘Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden’, zegt het evangelie vandaag. Bij een levensbedreigende ziekte of bij hoge ouderdom wordt die liefde een zorgen voor elkaar. Soms zelfs een zware opoffering, dag na dag. Dan toont de liefde haar ware aard in belangeloze inzet en in het wegschenken van zichzelf tot geluk van de ander. Dan gebied de liefde tot onderhouden van ‘geboden’, tot aanbod van onszelf, tot zelfgave. Dat zijn geen verplichtingen, geen dingen die moeten. Zij vloeien vanzelf uit ons hart, uit zuivere genegenheid. Dan is de liefde ‘volkomen’ geworden.

De volkomen liefde heeft dus met leren liefhebben te maken. Daarom spreekt de evangelietekst ook over ‘geboden’, over het doen van wat geboden is en over het omgaan met elkaar als vrienden en niet als bazen en knechten. Vriendschapsliefde die vreugde geeft! Daar gaat het om! En dat is soms uit je bol gaan van geluk en vreugde, maar soms ook verlamd zijn van verdriet en pijn. Hoogte- en dieptepunten in een mensenleven, in een liefdesgeschiedenis.

Ook in de geschiedenis van ons geloven, ons vertrouwen in God en onze liefdesrelatie met God en met elkaar. Want als het gaat om geloven, gaat het nooit om God alleen. God is niet apart verkrijgbaar. Hij is altijd een God van het verbond. Onze gelovige relatie met God staat niet los van onze relatie met medemensen. God is de bron, de bestaansgrond van iedere mens. Wie door God geraakt wordt, weet zich ook betrokken op medemensen. Als we God ‘Vader’ mogen noemen, zijn zijn kinderen ons even dierbaar. Daarom: wie de mens écht ontmoet, raakt aan God. Gods liefde en liefde tot de naaste zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Jezus geeft ons de liefde door, die hij van de Vader krijgt. En hij vraagt ons, die ook weer aan elkaar door te geven. ‘Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt’.

We moeten liefhebben zoals Jezus, maar zijn dat geen vreselijk zware woorden? Kunnen we zo’n opgave wel aan? Ik denk het wel, als ook de vreugde die Jezus ervaren heeft, ín ons is. Die overstelpende vreugde waar ik het eerder over had…. Die vreugde van verliefden, voor wie alles zalig is en niets te moeilijk. En die verandert in de liefde van de zelfgave, waardoor men zijn leven geeft voor de ander. Dat heeft Jezus ons laten zien, door onbegrip, lijden en doodsangst heen. Er bleef een onderstroom van vertrouwen in hem, die noodzakelijk was om het uit te houden. Het is diezelfde onderstroom waardoor wij ons gedragen en omarmd weten door elkaar. Daardoor is het leven nooit een onmogelijke opgave, hoe moeilijk het soms óók kan zijn. Want leven is niet enkel onze prestatie: ‘God heeft ons uitgekozen’ staat er. Hij geeft ons de opdracht om, geholpen door zijn Geest, op weg te gaan en te beminnen zoals Jezus. We kunnen alleen maar leven door de kracht van dit vertrouwen. Dit fundamentele basisvertrouwen, dat ons die innerlijke vreugde schenkt, mogen we doorgeven door het te beleven; door te leven zoals het hier in het evangelie geschreven staat.