Categorie: Overwegingen

2e zondag van Pasen, 11 april 2021

“Meten is weten”, zo werd in de oudheid al verkondigd. En nog steeds geldt deze eenvoudige regel in al zijn grootheid. Bijna alles kunnen wij meten: de lengte, de diepte, de hoogte, maar ook het gewicht, de kleur, het materiaal, de leeftijd en noem maar op. Toch is er ook veel dat we niet kunnen meten. Je kunt er wel getallen aanhangen, zoals de gevolgen van een gebroken been, de consequenties van het aantal auto’s. Wat doet aandacht en liefde aan een mens. Dan wordt het al lastiger om er waarden aan te geven. En helemaal als het om ons gevoel gaat: onze boosheid, onze vreugde, ons verdriet. 

Als wij mensen leren kennen, dan is in eerste instantie het meetbare, het zichtbare van belang. Maar meteen zeggen we ook: het gaat niet om de buitenkant (dat wat we kunnen meten) maar om de binnenkant (dat wat we niet kunnen meten). Het gaat niet om de mooie lange haren, het gaat niet om de kleding, het uiterlijk. Wat van belang is, is wat een mens uitstraalt, van waaruit iemand leeft. De onmeetbare binnenkant speelt een grote rol bij mensen. 

De overgebleven leerlingen ontmoeten Jezus. Hij wordt herkend doordat ze zijn wonden kunnen zien. Hij toont hen zijn wonden. Dan geloven ze dat het Jezus is. En ze zijn vol vreugde. Na al de misère van de kruisdood, het lege graf, is er eindelijk weer iets positiefs: en wat voor positiefs: Jezus zelf is weer in hun midden.

En Thomas, hoe zit het daar mee? Hij is de enige die Jezus niet heeft gezien. Hij gelooft het dan ook niet meteen. Hij heeft geen blind geloof, blind vertrouwen. Hij wil eerst bewijzen, aanwijsbare tekenen. Hij wil de wonden van Jezus kunnen aanraken. En als Jezus dan een week later weer verschijnt, en hem vraagt zijn hand op de wond te leggen: pas dan kan Thomas geloven, vanuit die tekenen, vanuit die bewijzen.

Het zien gaat hier om de binnenkant, het bewijs is de buitenkant. Pas als we ons richten op de binnenkant van de mens, pas als we hem of haar echt zien, dan kunnen we iets voor elkaar betekenen. Iets zien is het begin van geloven, van vertrouwen. De ander zien is niet alleen qua uiterlijk zien, maar ook zien wat de ander bezighoudt, vreugde geeft, verdrietig maakt.

Wanneer we alleen maar naar de buitenkant zien, of erger nog: de ander helemaal niet zien staan, zijn de gevolgen niet te overzien. Kijk maar eens naar Myanmar, waar gewone mensen, zoals u en ik, slachtoffer worden van mensen die de ander alleen als vijand zien en niet als medemens. Het is bedreigend en gevaarlijk om niet te zien, alleen te oordelen, zonder iets te zien. 

Thomas stelt de vraag: wie ben jij? En hij vraagt naar tekenen als bewijs dat Jezus het zelf is. En Jezus stelt: ik ben het! Een antwoord dat geloofd moet worden. Het is niet meetbaar en zichtbaar. Als wij ons afvragen wat de diepste vragen in een mensenleven zijn, dan komen we tot die twee vragen: wie ben ik, en wie ben jij? Wie is die ander? In de aanslagen in Myanmar worden mensen alleen als object beschouwd, niet als mens, en zeker niet als medemens.

Op de foto, los in uw boekje, zien we twee mensen druk bezig met winkelen. Ze hebben alleen oog voor wat er in de schappen van de winkel ligt. Ze zijn consumenten. Maar de twee kindjes, zien elkaar, zij hebben oog voor de ander. Zo ontstaat contact tussen twee mensen, door naar elkaar te kijken, door elkaar te zien, door van de buitenkant naar de binnenkant te gaan. 

Hopelijk blijft dat niet tot de kinderen beperkt, nemen de volwassenen dat over: die onbevangen blik naar elkaar toe, recht in de ogen kijkend. De binnenkant zien. De leerlingen zagen en geloofden. Thomas zag en voelde en geloofde. Zalig wij die niet gezien en gevoeld hebben, en toch geloven. En zo komen tot een zien en een voelen dat dieper gaat dan de buitenkant. Laten wij naar de binnenkant van de ander omzien en samen lachen, samen huilen, samen gelukkig zijn.

De vraag is dan of wij die binnenkant van de ander zien, maar ook of wij onze eigen binnenkant laten zien?

Palmzondag, 28 maart 2020

Wanneer Epke Sonderland een prachtige prestatie heeft behaald op een kampioenschap en drie lossen salto’s aan de rekstok wist te maken. Ja dan wordt hij bejubeld en toegejuicht in zijn woonplaats. Iedereen loopt uit om het schouwspel mee te maken. Maar als hij de keer daarop valt, wordt hij uitgejouwd en toegeschreeuwd.

Wanneer het Nederlands elftal kampioen is geworden wordt het nog drukker op straat. Een huldiging wordt landelijk georganiseerd. Iedereen viert feest. Tot het moment … het begint te knagen … er is afbrokkeling te zien … Ja een paar weken na die geweldige huldiging komt er een barstje in de prestaties van de trainer. Er wordt niet meer zoveel gewonnen, ze verliezen drie keer op een rij. De trainer krijgt alles over zich heen. De kritiek is niet licht op te pakken. En miljoenen Nederlanders hebben een mening en verkondigen die ook luid en duidelijk. De media smullen ervan.

Wanneer Jezus in Jeruzalem wordt ingehaald is het druk op straat. Mensen zwaaien met palmtakken en leggen kleden op de grond. Hij komt op een ezel. Vreemde zaak eigenlijk.

Als ik dat zo vertel, vraag ik me af of het inderdaad zo plat is. Dient het geen hoger doel? Blijven wij zo stilstaan bij wat op religieus gebied gebeurt. In den beginne kunnen we zeggen dat het een dergelijke ervaring was, toen die mensen Jezus inhaalden. Maar met de eenvoudige ervaring is wel iets gedaan, gegroeid, overwonnen. De gewone ervaring van bewondering en bejubeling, de ervaring van medeleven en van respect. De leerlingen, de mensen in Jeruzalem, maar ook de mensen van het burgerlijk gezag; al die mensen die toen daar bij elkaar waren, deelden dezelfde ervaring. Ze zagen en hoorden een man, een prediker of profeet, die iets nieuws te vertellen had. Maar het bleef niet bij vertellen, hij voegde er daden aan toe. En dat was staatsgevaarlijk.

Hij liet mensen die vastgelopen waren, weer op twee benen staan, zodat ze weer verder konden. Hij liet mensen die doof waren voor hun medemensen weer naar elkaar luisteren, zodat ze weer iets konden betekenen voor elkaar. Hij liet mensen weer zien dat er ook iets anders is dan geld en macht, dat er andere waarden en normen in de wereld gehanteerd konden worden.

Dat is wat mensen aantrok in die figuur van Jezus. Ze hadden veel over hem gehoord en er was veel over hem gesproken. Zijn blijde boodschap kwam goed over. Iedereen kon dat evangelie verstaan. Niet omdat ze elkaars taal geleerd hadden, maar omdat de taal van de liefde gesproken werd. En ze ervoeren dat het over hen ging. De tollenaar werd gastheer; de farizeeër werd verkondiger; de ene zus ging aan de voeten van Jezus zitten, terwijl de andere zus naar hem luisterde. De barmhartige Samaritaan wordt plotseling je buurman of buurvrouw. De vissers groeiden tot vissers van mensen. Zijn vriend Lazarus stond op uit de doden; de schoonmoeder van Petrus werd weer beter.

Het ging niet over machthebbers en gezagdragers; het ging niet over zware politiek of geleerde woorden. Jezus had het over en tegen de mensen zelf. Zij herkenden zich in de verhalen, in de daden. Zij voelden de honger, maar ook de verzadiging bij de wondere broodvermenigvuldiging.  Ze begonnen allengs te geloven in Jezus. Zij verstonden zijn verhalen. Die bleken een diepere laag te hebben. Dan ging het het verhaal over de parel niet over de parel maar over het Rijk van God waar wij aan bouwden. Dan ging het verhaal van die wijnbouwers niet over de eigenaar, maar over God en zijn mensen.

Die diepere laag missen we vaak als we heden ten dagen mensen zien protesteren. Dan blijft het vaak hangen bij die eerste ervaringen van een milieuprobleem. Het wordt echte niet in een breder of dieper kader geplaatst. Dan blijven acties tegen een avondklok hangen in de tijd, men spreekt niet over de diepere laag van een eigen verantwoordelijkheid. We spreken vaak over maatregelen maar beseffen niet dat de eerste maatregel is, om zelf contact te minimaliseren.

Jezus wordt ingehaald en bejubeld. Omdat zijn verhaal een verhaal van geloof, hoop en liefde is. Omdat zijn verhaal waar, schoon en goed is. Maar vooral gaat zijn boodschap in op zijn relatie met God, zijn Vader. Het evangelie gaat over de bouw van het Rijk Gods. Wat er nu in de week erop ook gebeurde. Het is de goede week, maar daar had men nog geen weet van, hoogstens een vermoeden. Laten we die positieve zondag; die Palmzondag, als een zegenrijke dag vieren. 

4e zondag 40dagentijd, 14 maart 2021

Er was ooit een televisieprogramma waarbij je het antwoord op de vraag kreeg, en waarbij je de vraag moest zoeken. Dat gevoel kreeg ik ook bij het lezen van het evangelie. We krijgen het antwoord van Jezus te horen: het antwoord dat hij gaf aan Nikodemus. Maar wat was zijn vraag? Op welke vraag gaf Jezus hier antwoord? En dat is toch wel belangrijk, anders weten we nauwelijks waar dit over gaat.

Om de vraag te begrijpen moeten we iets weten van de vraagsteller. Wie is die Nikodemus? Waar komt hij vandaag? Waar is hij mee bezig? Hij was een vooraanstaand inwoner van Jeruzalem, een farizeeër, een goed gelovig lid van de joodse gemeenschap. In de duistere nacht, als niemand hem kan zien, komt hij naar Jezus toe. In de duisternis van het leven, anders ga je niet in de nacht bij iemand langs, vraagt hij zich af hoe hij verder moet. En hij vraagt niet zomaar iets onbelangrijks. Het is een serieuze zaak, die hij in het donker aan Jezus wil voorleggen. Hij vraagt om licht in die duisternis. Later in het evangelie zal hij voor Jezus pleiten in het gerechtsgebouw. En ten slotte zien we Nikodemus terug bij het graf van Jezus. Er is dus licht aan de hemel verschenen.

Wanneer ik me dit zo voorstel, dan denk ik dat Nikodemus ergens vastgelopen is in zijn leven. Hij zit met grote vragen, waar geen antwoorden op te geven zijn. Hij blijft in het duister hangen. Kennen wij die niet allemaal? Wanneer we eens even de tijd nemen om over ons leven na te denken; om ons leven de revue te laten passeren. Horen wij dan niet allemaal die vragen in ons hoofd: heb ik het wel goed gedaan? Wat doe ik hier nu eigenlijk? Wat voor zin heeft het? Is er licht te vinden?

We kunnen die vragen en gedachtes afdoen als muizenissen, als gedachtespinsels. Maar dan doen we geen recht aan onszelf. De vragen komen niet voor niets op. Ergens houden wij ons allemaal bezig met die diepe vragen van het leven, zoals Nikodemus. Hij heeft van Jezus gehoord, als buitenstaander. Hij stapt op Jezus af, in de nacht, in het geheim. Hij stelt de grote vragen aan Jezus, vol verwachting, hopend op een antwoord, op verlichting.
En Jezus probeert antwoorden te geven. Maar de vragen zijn zo groot dat er geen antwoorden bij passen. Hoe geef je antwoord op de vraag waartoe al het lijden op de wereld is, zeker in deze coronatijd.  Wat is een concreet antwoord als je vraagt naar de zin van ons bestaan, de zin van jouw persoonlijke leven. Geef maar eens antwoord op de vraag naar hoe de toekomst er uit zal zien. Gaan we weer terug naar het oude normaal? Er zijn geen woorden voor. Jezus kan slechts spreken in beelden en vanuit een diepere laag. En Jezus spreekt over de mensenzoon die opgeheven moet worden, over Gods eniggeboren zoon, over oordelen en veroordelen, over duister en licht.

Nikodemus, zo staat verder in het verhaal te lezen, kan die verheven taal niet begrijpen. Hij blijft hangen in de oppervlakkigheid van de eerste taal, taal van het hier en nu. Hij vraagt om tekens ter bevestiging. Hoe herkenbaar voor ons. Ook wij vragen tekenen en rechtstreekse antwoorden. Getallen van besmetting en hoeveelheden vaccins. Ook wij begrijpen die verheven taal nauwelijks. We hebben er een beeld bij omdat wij het vervolg van het verhaal kennen. De zoon die opgeheven moet worden, is Jezus zelf. Maar het waarom, daar kunnen we nauwelijks bij, dat blijft voor velen een mysterie. Of we zeggen ook: eerst zien en dan geloven, zoals Nikodemus aangeeft door tekenen te vragen.

Wat ik mooi vind in het antwoord van Jezus, is dat hij ingaat op het oordeel. Jezus is niet gekomen om te oordelen. Wie hem gelooft zal eeuwig leven. Het gaat dus om geloof, niet zozeer om daden. Je daden moeten voortkomen uit geloof, geloof in de waarden die Jezus ons aanreikt: liefde en respect, aandacht en gerechtigheid, gemeenschap en bewustwording. Wie daarin gelooft en er naar handelt, mag eeuwig leven verwachten. Jezus is niet gekomen om dat te oordelen en nog minder om dat te veroordelen. Hij is gekomen om te redden; hij zal zijn geloof verkondigen opdat anderen het kunnen overnemen.

In de nacht, in het duister van zijn leven, kwam Nikodemus tot Jezus. In het geheim, want zijn medegelovigen mochten het niet weten. Het was nog maar een klein geloof, dat hem tot Jezus bracht, een mosterdzaadje. Maar hij durfde wel de grote vragen des levens te stellen. Is het voor ons, in deze veertigdagentijd, mogelijk, om die grote vragen aan Jezus voor te leggen? In alle eenvoud, in alle bescheidenheid? Met vol vertrouwen?

3e zondag 40dagentijd, 7 maart 2021

Lezingen: Ex. 20, 1-17; 1 Kor. 1, 22-25; Joh. 2, 13-25
Inleiding
Het is weer zondag. Als er geen lockdown-maatregelen waren, zouden we traditiegetrouw samenkomen om ons aan te laten spreken door de woorden uit de schriften. Ik herinner me nog goed dat ik als kind speciale kleren had voor de zondag. Dat ging zo in die tijd. Dat was geen vraag, het was de gewoonte. Voor de ontmoeting met de Heer moest je er netjes uitzien. Daar moest ik aan denken toen ik hoofdstuk 19 van Exodus las. Het hoofdstuk dat voorafgaat aan de eerste lezing voor vandaag. In de voorbereiding op het ontvangen van de tien woorden krijgt het volk meerdere keren de opdracht hun kleren te wassen. De ontmoeting met de Heer is zo bijzonder, dat vraagt om een verschoning, dat vraagt om een voorbereiding zowel innerlijk als uiterlijk.

Daar hebben we zojuist ook over gezongen. ‘Dit huis gereinigd en versierd…’ Janny zorgt er steeds voor dat onze kapel – deze bijzondere plek van ontmoeting – daadwerkelijk gereinigd en versierd is. Daarbij staat vandaag de vraag centraal of wij wel klaar zijn om het woord te ontvangen. Zijn wij klaar voor de ontmoeting met de Heer? En zo ja, wie ontmoeten we dan?
Overweging
Vorige week hebben we de tekst gelezen die in de traditie de titel ‘de gedaanteverandering van de Heer’ kreeg. In de evangelielezing van deze zondag is in mijn ogen ook sprake van een gedaanteverandering van Jezus. De bewogen, nabije mens Jezus die vrede en verbondenheid predikt en voorleeft, laat in de evangelielezing van vandaag een heel andere kant van zichzelf zien. Hij explodeert als het ware en houdt behoorlijk huis in de tempel. Ik vraag me af wat er zou zijn gepost als Jezus in deze tijd had geleefd. Als zijn actie in de tempel via alle vormen van sociale media de wereld zou zijn ingegaan. Ik zie de koppen van kranten al voor me: ‘radicale jood richt ravage aan in de tempel in Jeruzalem.’ Op facebook zou dit bericht mogelijk ‘viral’ gaan.

En daar waar premier Rutte zich afvroeg wat de relschoppers tegen de avondklok bezielde, zou ook op de actie van Jezus de vraag kunnen volgen wat bezielt die man? En dan niet als schijn-vraag waarmee Jezus als een vreemd aanstootgevend verschijnsel weggezet kan woorden, zonder je daadwerkelijk in zijn achterliggende motieven te hoeven verdiepen. Want dit is mogelijk met de vraag van premier Rutte naar wat de relschoppers bezielde wel gebeurd. Zou er een overeenkomst te ontdekken zijn tussen de actie van de relschoppers tegen de avondklok en de actie van Jezus in de tempel? Er is bij alle twee de acties sprake van verzet tegen regels. Waarom wordt de ene actie dan afgedaan met het typeren van actievoerders als tuig en schorem en wordt de andere actie opgenomen in een boek dat nota bene als ‘de Goede boodschap’ de wereld in is gegaan?

Gedurende mijn studie theologie hadden we twee keer per jaar een cultuurweek. Tijdens zo’n cultuurweek in het kader van bibliodrama wilde één van mijn studiegenoten het evangelieverhaal van deze zondag uitspelen. De rollen werden verdeeld. Er was een aantal kooplieden, er was winkelend publiek, er was zelfs een student die de rol van hond kreeg om de situatie vanuit een heel ander perspectief te kunnen bespreken. De student die het verhaal gekozen had, speelde zelf de rol van Jezus. Het spel startte met de kooplieden die hun waren te koop aanboden. Op een gegeven moment verscheen de student met de rol van Jezus tierend ten tonele. Maar tot haar verbijstering gebeurde er iets onverwachts. Een van de studenten die een marktkoopman speelde, reageerde heel boos op ‘Jezus’ met de woorden: ‘Wat doe je man, je vernielt mijn handel. Dit is mijn brood joh. Hoe moet ik mijn bloedjes van kinderen anders te eten geven?’ En ook de andere kooplieden kwamen in opstand. De student die Jezus speelde was helemaal van slag. Ontdaan sprak ze de woorden: ‘Jullie doen het niet goed, jullie moeten gewoon weggaan. Zo staat het in het verhaal.’ En inderdaad, in het verhaal druipen de handelaren stuk voor stuk af. Dit spel in het kader van bibliodrama maakte duidelijk dat dit helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Veel wetenschappelijk verantwoorde exegese-colleges ben ik vergeten. Deze ervaring is mij echter altijd bijgebleven. Het heeft ervoor gezorgd dat dit verhaal voor mij een extra kleur heeft gekregen. Zo’n vreemde snoeshaan die jou van je broodwinning wil beroven, dat laat je toch niet zomaar gebeuren. Het is een dwaasheid te denken dat de verkopers zomaar zonder slag of stoot zouden vertrekken. Wat denkt zo’n opgewonden standje wel niet?
 
In de tweede lezing staat geschreven dat het verkondigen van een gekruisigde Christus voor Joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid is. Het roept vragen op. Dat geldt voor mij zeker ook voor dit verhaal. Wat bezielde Jezus om op deze manier te handelen?

Een verschil tussen de avondklok-rellers en Jezus heeft mogelijk te maken met de aard van de opstand. De avondklok-rellers ageren tegen opgelegde regels. Jezus komt in opstand tegen het niet onderhouden van regels. En volgens mij is er nog een verschil. Dit verschil heeft te maken met de aard van de regels. De regels zoals die van de avondklok beperken ons in onze mogelijkheden, in onze vrijheid. Het naleven van de regel dat je maar één persoon mag ontvangen of de regel om voor negen uur ’s-avonds binnen te zijn levert op de lange termijn mogelijk een inperking van het coronavirus op. Er is geen direct effect van deze naleving te ervaren. Dat is anders met regels als: ‘Pleeg geen moord’ of ‘steel niet’. Het naleven van deze regels levert meteen effect op. Het wordt meteen merkbaar in het leven van alledag. Deze regels maken zichtbaar dat ze te maken hebben met een samenleven in vrijheid. De tien woorden zijn richtlijnen voor een leven met anderen. Het daadwerkelijk gehoorgeven aan deze woorden maakt zichtbaar hoe een leven in vrijheid kan zijn waarbij recht wordt gedaan aan de integriteit van elk individu.

Want waar de tempel een huis van steen kan zijn, is ook ons lichaam een tempel, de tempel van de ziel. Wij zijn geschapen als het beeld van God. Dat zijn geen loze woorden. Dat is zowel een opdracht als een belofte: ‘Wees heilig, want ik, de Heer uw God, ben heilig’ (Lev. 19, 1vv).

Steeds weer luisteren we naar woorden uit de schriften die we opnieuw in ons hart willen toelaten. Die we her-inneren als woorden van leven. En waar we merken dat we op het verkeerde spoor zitten, dat we onszelf en onze naasten niet tot recht laten komen, is het nodig de bezem erdoor te halen. Soms misschien wel met een botte bijl. Het zijn tenslotte zachte dokters die stinkende wonden maken. Veertigdagen van bezinning en vasten voor een kritische introspectie.  Veertig dagen om lichaam en geest te reinigen. Om ruimte te maken in onszelf voor de woorden die ‘in die dagen’ zijn gegeven. Dat ze in onze dagen leidend mogen zijn. Opdat we ruimhartig met elkaar durven omgaan. Om zodoende vrij en onbevangen, op z’n paasbest, de opstandige en opgestane levende Heer te kunnen ontmoeten.

2e zondag 40dagentijd, 28 februari 2021

(Overkoepelend thema deze veertigdagentijd: vrijheid in gebondenheid; opstaan uit knellende banden van deze doodse tijd)
            
Lezingen:
Gen.22, 1-18; Rom. 8, 31b-34; Mc. 9, 2-10
Abraham durft zijn zoon los te laten. Hij is bereid aan het bizarre verzoek van God te voldoen. Zijn toekomst komt in het geding, maar God geeft hem die toekomst terug. Hij hoeft zijn zoon niet te offeren. Het leven kan doorgaan. 
Ook in het evangelie moeten de drie leerlingen na de bijzondere ervaring verder. Ga geen tent bouwen, hou niet vast, maar laat los, daal af en vervolg je pad.

Inleiding
De tweede zondag van de veertigdagentijd, de tweede halteplaats op weg naar Pasen. Deze zondag heet:zondag reminiscere: gedenk uw barmhartigheid, Heer, naar Psalm 25. Een gedachte om vast te houden. Deze psalm gaat vooral over het vertrouwen dat de dichter uitspreekt. Hij/zij vertrouwt op de barmhartigheid en goedertierenheid van God.Ieder jaar zijn we getuige van de Berg, waar Jezus van gedaante verandert, en in het volle Licht van Pasen staat. Een Evangelie zo belangrijk dat we dat ook lezen op 6 augustus. De eerste lezing, genoemd, het offer van Abraham, lezen we in zijn geheel, de verzen 1-18. Wij denken aan onze broeders en zusters, onze kapelgasten, die wij missen, en voelen ons met hen verbonden. En hopen dat wij spoedig weer samen mogen vieren, In Woord en Brood en Beker. Maken we het stil om de Heer te vragen dat Hij bij ons aanwezig wil zijn. 
Overweging 
“We koesteren waar we op wachten, en wat we het meest dreigen te verliezen”. Deze uitspraak heb ik niet van mijzelf. Ze is van voormalig opperrabbijn Jonathan Sacks, Die het boek Genesis, het eerste boek van de Thora van commentaar heeft voorzien en vaak op verrassende wijze verbindt met de wereldgeschiedenis en met ons persoonlijk leven! 
H
ij schreef dit bij het verhaal van Abraham en Sara. Abraham die op het horen van een Stem wegtrok, uit al wat hem vertrouwd en bekend was, het onbekende tegemoet. Hij wordt de eerste jood genoemd. Zijn vrouw Sara bleef tot haar verdriet kinderloos. Met de geboorte van Isaak, kind dat God hen beloofd had, ging hun diepste verlangen in vervulling. Al waren ze bijna het vertrouwen verloren dat het werkelijkheid zou worden. Maar vandaag dreigt hij die zoon te verliezen, op de berg Moria, de berg van het offer, zijn zoon, je enige” zal God tot driemaal toe zeggen! Abraham, wat een zware tocht moest hij met Isaak maken (drie dagen lang…het klinkt als een opstandingsverhaal…) Van wie vermoed wordt, dat die al een volwassen man was. En sterker dan zijn vader. En dat hij dus waarschijnlijk vrijwillig meeging om geofferd te worden! Tot de hand van Gods engel hem tegenhoudt. En God een einde maakt aan de beproeving. Een joodse uitleg hiervan is: beschouw het leven nooit als vanzelfsprekend.Zoals ook de geboorte van een kindje niet en nooit vanzelfsprekend is en elke ouder dolgelukkig is als het na de geboorte huilt, een goede kleur krijgt, zijn longetjes ontplooit. Om niet te vergeten, schrijft Sacks. Her- inneren, Leren, lernen, scholing én doen, Thora doen, dát is wat in het jodendom het hoogst staat aangeschreven. Na het “sjema”: Hoor, Israël.Omwille van de mensheid moet de wereld deze les leren, dat leven scheppen een daad van liefde is; omdat téveel kinderen leven in armoede en honger, omdat téveel kinderen gebrek hebben aan medische zorg; omdat wapens vaak boven welzijn gaan…en vandaag: arme landen maar moeten wachten tot voor hen een vaccin tegen Corona beschikbaar en betaalbaar wordt. Omdat ons leven en onze vrijheid niet en nooit vanzelfsprekend zijn. Als je de verhalen van Abraham en Sara, hun leven en hopen, achter elkaar door leest, dan denk je: hoe hielden ze het vol, die hele lange weg, het uitblijven van Gods belofte, de lange duur. Tot uiteindelijk de vervulling. En dan dit!! Hoeveel spankracht hebben mensen? Lees het verhaal van Mozes die veertig jaren met een weerspannig volk door de woestijn trok. Hoe menselijk was het, dat Sara tegen Abrahamzei, dat hij maar een kind moet verwekken bij Hagar, dat ze lacht wanneer ze hoort, dat ze binnen een jaar zelf een kind zal krijgen; op een gegeven moment verliest de mens toch de hoop op een goede afloop, zelfs zijn geloof.Het is het geheim van krachtige en vrije mensen, in de Bijbel en de mensen die wij ontmoeten om het visioen en de stip op de horizon, gaande te houden. Om God toe te laten. Om te vertrouwen. Dat het goed komt. GOD HOUDT ZIJN BELOFTE. DAAR MOGEN OOK WIJ VANDAAG OP VERTROUWEN. NET ALS DE DICHTER VAN PS. 25 MOGEN WE GOD DAAR OOK OM BIDDEN ALS WIJ HET EVEN NIET MEER ZIEN ZITTEN. EN ZOALS JEZUS KEER OP KEER DEED. CONTACT ZOEKEN MET ZIJN VADER.Het Evangelie is de gebeurtenis die wij kennen als De verheerlijking op de Berg. Jezus zocht vaak een eenzame plaats, om te bidden; om contact te zoeken met zijn Vader. Vandaag gaat Hij evenwel niet alleen, maar met de vertrouwde drie: Petrus, Jacobus en Johannes. Zij zijn het die ook getuige zullen zijn van Jezus’ meest indringende gesprek met zijn Vader, in de Hof van Olijven. De berg is een beeld en symbool van ons leven, een plaats waar hemel en aarde elkaar raken; een plaats van eenzaamheid, maar ook ruimte, om op te ademen; een groots uitzicht te genieten, een plaats die niet alleen fysiek, maar ook innerlijk en geestelijk je kan omvormen! Loslaten, alle ruis laten wegebben. 
Daar waar het volmaakt stil wordt in en om je heen- niet persé op de top van een berg overigens- kan een diepe mystieke ervaring ingrijpen. We hebben in onze vrijdagbezinning tweemaal een dagboekfragment gelezen van Dag Hammarskjöld. In zijn boek Merkstenen schrijft hij, heel krachtig en kwetsbaar, over zijn mystieke weg en zijn zoeken naar zin, in dienstbaarheid en gehoorzaamheid: Verder word ik gedreven, een onbekend land in, de grond wordt harder. Aldoor vragend, zal ik aangekomen zijn, waar het leven wegklinkt- een heldere, eenvoudige toon, in de stilte.

Ging Jezus de berg op om te bidden? Of verlangde hij naar Mozes en Elia, die beide op de berg God mochten ontmoeten op een moment van diepe wanhoop? Halfweg het Marcusevangelie, tussen de aankondigingen van Jezus’ lijden en sterven, staat dit Opstandingsverhaal, deze voorafbeelding van Pasen, Jezus als Lichtende gestalte.Het is te begrijpen wat Jezus’ leerlingen vragen, zullen we hier blijven? Waar het goed is en veilig. Weerstand tegen verandering is heel herkenbaar!! Maar zo zal het niet blijven. De drie kunnen het moment niet vasthouden. Alleen in hun hart meedragen. Hun Heer niet vasthouden. Alleen in hun liefde meedragen. Zij, wij moeten loslaten, de berg af, naar het dagelijkse leven met alles wat dat met zich meebrengt. Aan goeds, maar ook aan frustratie en onzekerheid. Loslaten en toch vertrouwen. Dat er toekomst is. van Abraham af!. Dat God toekomst geeft en het werk van zijn handen niet laat vallen. Dat wij Hem door Jezus Christus mogen inroepenin alles wat ons bezwaart. Zo nabij mogen wij komen. Jezus’ leerlingen hebben iets meegemaakt dat de weg de moeite waard maakt en dragelijk. Dit is mijn Zoon. De welbeminde. Luistert naar Hem. In tegenwoordige tijd! Nico ter Linden schrijft in “Koning op een ezel”: Toen de wolk was opgetrokken stond alleen Jezus daar nog. Mozes en Elia waren er niet meer. “Kom mee! “zei Jezus. “Wij zullen hier geen tenten bouwen. Wij moeten naar het dal. Wij moeten weer naar de mensen toe. Kome wat komtMozes en Elia hadden Hem nieuwe moed gegeven. Mensen van de weg zijn ze genoemd, steeds onderweg, om te getuigen van de levende Heer. Doen wij evenzo! Zijn weg, naar Pasen.

1e zondag 40dagentijd, 21 februari 2021

Lezingen: Gen. 9,8-15; 1Petr. 3,18-22; Mc. 1,12-15

De lezingen van vandaag hebben voor mij alles met trouw te maken.
In de eerste lezing – uit het boek Genesis – gaat God een verbond aan met Noach, met diens nageslacht en met alle levende wezens die bij Noach zijn. Als teken daarvan zet God een boog in de hemel, waarbij Hij belooft dat de wateren nooit meer zullen zwellen tot een vloed om al wat leeft te verdelgen.
Door zo’n regenboog word ik altijd weer geraakt: als ik maar vermoed dat er een regenboog zichtbaar zou kunnen zijn speur ik de hemel ernaar af. Als ik dan een regenboog zie welt er in mijn hart een kort dankgebed op. God blijf immers altijd trouw aan zijn belofte!

Dat is anders dan hoe de mensen zijn: zij zijn niet altijd betrouwbaar en laten het soms afweten. Ook als mensen je in de steek laten, kun je rekenen op Gods trouw. Betrouwbaarheid is een van Gods belangrijkste eigenschappen. Ook als mensen God vergeten laat Hij hen niet los. God wil en kan niet anders dan trouw zijn. Want – zo lezen we in de tweede brief aan Timoteüs – ‘Als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw: zichzelf verloochenen kan Hij niet.’

Op veel plaatsen in de Schrift getuigen mensen van Gods trouw:
Zo lezen we in psalm 36, vers 6: Hemelhoog, Heer, uw goedheid, uw trouw reik tot de wolken.
En in psalm 100, vers 5 staat: Overvloed geeft Hij, de Heer; tot in eeuwigheid is zijn genade, van geslacht tot geslacht is zijn trouw.

In de evangelielezing hoorden we dat Jezus door de satan op de proef werd gesteld. Zijn trouw wordt beproefd, maar Jezus blijft trouw aan zijn Vader.
Omdat God trouw aan ons is, verwacht hij ook dat wij – net als zijn Zoon – trouw zijn aan Hem. God vraagt van ons dat we leven in verbondenheid met hem. Hij wil dat wij hem oprecht dienen
en ons aan zijn voorschriften houden.
God vraagt ook van ons dat we trouw zijn aan elkaar. Niet alleen in de dingen die we zeggen, maar ook in de dingen die we doen. We zouden moeten proberen eerlijk en oprecht te zijn in ons doen en laten, zodat andere mensen ons kunnen vertrouwen, zodat we de ander in ons hart kunnen sluiten en de ander ook ons in het hart kan sluiten. We zouden ook moeten proberen trouw te blijven aan de opdracht die we de onze noemen, aan de taak die we op ons hebben genomen, samen, maar ook ieder voor zich! Door dit gedrag kunnen we laten zien dat we dicht bij God leven.

Bij de voorbereiding van deze overweging speelde me bij het slot van de evangelietekst –‘De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap’– steeds het inauguratiegedicht van de 22-jarige, zwarte dichteres Amanda Gorman door mijn hoofd. Ik zocht en vond de vertaling ervan. Graag sluit ik hiermee af:

De hoge heuvel die ons wacht

Als het dag wordt vragen we ons af: wanneer zien we ooit licht in deze eindeloze nacht?
Elk verlies dat we dragen is een zee waar we door moeten waden.
We trotseerden de buik van het beest.
We leerden dat rust niet altijd staat voor vrede.
En dat begrip, de waarde van wat gerechtig is, niet altijd rechtlijnig is.
En toch: voor we het goed beseffen behoort de dageraad ons toe.
Uiteindelijk zouden we erin slagen.
Uiteindelijk overleefden we en zagen een volk dat niet werd gekraakt, maar gewoon onaf is gebleven.
We komen uit een land en een tijd waarin een mager zwart meisje, een kind van slaven, dat door een alleenstaande moeder werd grootgebracht, ervan mag dromen president te worden.
En zie: nu zegt ze haar tekst op voor zo’n president.

Inderdaad ja, we zijn lang niet volmaakt, lang niet ongerept,
maar dat betekent niet dat we naar een perfecte eenheid streven.
Wel willen we bewust eenheid smeden, een land vormen dat de cultuur, kleur, aard en levensbeschouwing van elke mens respecteert.
En dus richten we onze blik niet op wat ons scheidt maar op wat vóór ons ligt.
We dichten de kloof omdat de toekomst eerst komt, dus willen we eerst onze verschillen overwinnen.
We leggen onze wapens neer, zodat we elkaar kunnen omarmen.
We wensen niemand kwaad toe, willen eendracht voor iedereen.
Laat de hele wereld weten dat dit waar is:
Ook toen we verdriet hadden, bleven we groeien. Ook toen we pijn hadden, bleven we hopen.
Ook toen we moe waren, bleven we volharden.
Zegevierend blijven we voor altijd verbonden; niet omdat we geen nederlaag meer zullen kennen,
maar omdat we geen verdeeldheid meer zullen zaaien.
De Bijbel leert ons dat iedereen onder zijn eigen wijnstok of vijgenboom moet zitten, zodat niemand hem nog bang kan maken.
Als we voldoen aan de eisen van onze tijd wordt de zege niet gebracht door het zwaard,
maar door alle bruggen die we hebben geslagen.
Dan worden we naar de beloofde beemden gebracht op de hoge heuvel die ons wacht.

4e zondag door het jaar, 31 januari 2021

Lezingen: Deut. 18, 15-20; Mc. 1, 21-28

Inleiding
Oproerkraaiers, relschoppers, die zagen we een aantal weken geleden in Amerika bij de regeringsgebouwen. En we spraken er schande van. Is dat een geciviliseerd land, een land van democratie en vrijheid. En nu? De afgelopen week. Zijn wij in het geciviliseerde Nederland, dat prat gaat op zijn vrijheid, nu niet even geschokt? Is hier sprake van vrijheid, vrijheid van handelen? Vrijheid van spreken? We zien het in officiële bijeenkomsten, we zien het in de tweede kamer, we horen het op straat.  Zogenaamde vrijheid van spreken. Alles zeggen wat je wilt. We horen vandaag hoe Jezus de vrijheid krijgt om te spreken, spreken met gezag.

Overweging
“Hij geeft bevel aan de onreine geesten en ze gehoorzaamden hem”.
Hoe zou dat van de week zijn gegaan. Wie gaf er bevel? Wie volgden wie? Het is niet meer te achterhalen. De raddraaiers volgden blindelings de berichten op social media.  Ze volgden elkaar; groepsdynamica heet dat. Niet meer de eenling bepaalt wat er gebeurt, maar de groep als geheel. Stuurloos, richtingloos, zonder verantwoordelijkheid, zonder gezag.

En dat is wat Jezus wel heeft. Gezag. Hij heeft iets te zeggen en neemt de tijd en de ruimte om te spreken. Dat gebeurt wel meer, dat er iemand de vrijheid neemt om te spreken. Een burgemeester, een vader, een staatshoofd of een kerkelijk leider. Zij krijgen dan het gezag om te spreken en daarmee richting te geven. Wat er gebeurt als er niemand het gezag krijgt, maar ook niet de macht; dat hebben we gezien.

In de juridische hoek spreken we ook over vrijspreken. Dan wordt niet bewezen dat iemand schuldig is aan een misdrijf. Iemand die beschuldigd werd, wordt vrijgesproken.  De aanklacht wordt ingetrokken. De verdachte is vrij om te gaan. Wat beweerd werd wordt in vrijheid terggegeven. We kennen dat in de aloude formule bij de biecht: Hij schenke u door het dienstwerk van de kerk vrijspraak en vrede.

Jezus komt in de synagoge spreken, en hij heeft gezag. Niet zoals de schriftgeleerden, maar als iemand die gezag heeft. En daar blijft het niet bij. Hij gebruikt de ruimte die hij heeft om zijn leer ook in praktijk te brengen. En daartoe laat hij een man met onreine geesten, genezen. En zo komen woord en daad bij elkaar. Dat zouden wij ook wel willen: zo geloven dat daad en woord in één ruimte klinken.

De ruimte die je krijgt om vrij te spreken is afhankelijk van de mensen die jou dat gezag geven. Ook dat komt ons bekend voor. Het gezag wordt maar net geaccepteerd zolang de menigte dat toelaat. Als die ruimte te klein is, wordt je de mond gesnoerd, nemen anderen het over. Als de ruimte te groot is, komt er niets van terecht. Dan ontstaat er verwarring en agressie. Zonder gezag sta je machteloos.

Gezag krijg je als je iets te zeggen hebt, krijgt. Macht wordt genomen. Spreken in vrijheid wil zeggen dat je kunt zeggen wat jou op het hart ligt. Het is echter altijd een begrensde vrijheid. Je kunt niet doen en laten wat jij wilt. De ander wordt dan beknot in zijn vrijheid. De grens ligt bij de tolerantie en de menselijke waarden en normen.

Gezag moet je niet alleen krijgen, je moet er ook om vragen; het aan de orde stellen. Het is een wisselwerking tussen degene die gezag krijgt en degenen die gezag geeft. Jezus krijgt hier gezag door zijn leer. Hij neemt de vrijheid om te spreken. Jezus vraagt om de vrijheid van handelen door de man te genezen.

Vrijheid van spreken krijgen zodat je jouw verhaal kunt vertellen, vrijheid van spreken accepteren. Jezelf ruimte geven en nemen. Vragen om gehoord te worden, vragen om een luister-houding. Vragen om antwoord. Hoor en wederhoor. God geeft die speelruimte om te spreken en te handelen. We kunnen dat ervaren als we hem aanroepen.
God geef mij ruimte als ik u aanroep.

We beluisterden na deze overweging een prachtig door Antoine Oomen getoonzette tekst van Huub Oosterhuis. Vanwege rechten staat hier alleen de eerste strofe. Het is de moeite waard de tekst op te zoeken. Helaas konden we geen youtube-opname vinden om een link te plaatsen!

Hoor mij (psalm 4)

Hoor mij Hoor mij, wees niet doodse stilte
Geef mij antwoord als ik roep.
Uit mijn afgrond hoor mij roepen:
Geef mij ruimte wijd als hemel.
Mens, hoe lang nog hou je vast aan
schijn en noodlot? Kom tot inkeer.
Hij geeft antwoord als je roept.
Hij geeft ruimte wijd als hemel.(………)