overweging
De afgelopen week was het weer vredesweek. Een week waarin we bidden en praten over wereldvrede. Vrede in een wereld waarin zoveel geweld en oorlog heerst. We doen dat al ruim 50 jaar. Al vijf decennia lang staat de derde week van september in het teken van de vrede. En elk jaar geloven we er heilig in. Ook nu weer. Ons geloof in God, ons geloof in de toekomst en in de mens, laat ons ervaren dat vrede mogelijk is.

Maar is het geen geloof tegen beter weten in? Is de uitdrukking ‘dit nooit meer’ geen holle frase geworden, geen loze kreet? Jan Terlouw eindigde in de jaren zestig zijn kinderboek ‘Oorlogswinter’ met een lijst van landen waarin na de tweede wereldoorlog gestreden is. En die lijst wordt als maar langer. De daden worden als maar gruwelijker.

En toch geloven we erin. Ondanks onze gevoelens van machteloosheid. Daarom proberen we de vrede, die bijna onmogelijke vrede, te vertalen naar ons eigen leven. Op wereldniveau kunnen we weinig uitrichten, maar in ons eigen leven, kunnen we heel veel. En dan geldt de uitdrukking uit het evangelie: wie betrouwbaar is in het kleine is ook betrouwbaar in het grote. En we denken dan: als we maar eerst vrede vinden in onszelf, in ons eigen leven; wellicht stroomt dat door naar anderen en uiteindelijk naar het niveau van de wereldleiders.

Maar dan komt de grote vraag: hoe vinden we vrede in ons zelf, met onszelf?  Vrede kunnen we dan omschrijven als een manier van leven waarin we aanvaarden dat we zijn zoals we zijn, met al onze goede kanten, maar ook met al onze tekortkomingen. We hebben ons leven gekregen en zullen het er mee moeten doen. Het gaat er dan niet om wat we krijgen in ons leven, maar hoe we er mee omgaan. De dingen die gebeuren, de ziekte die we krijgen, de verliezen die we meemaken; dat alles overkomt ons. 

Is het dan zo dat we alles maar lijdzaam moeten ondergaan? Stil wachten tot het goed komt, zoals dat bekende kerklied: stil maar wacht maar, alles wordt nieuw? Dat zal toch niet zeker. Nee, juist strijden (in de positieve betekenis van het woord) strijden vanuit die aanvaarding. Pas wanneer je aanvaardt dat je ziek bent, dat je partner gestorven is, dat je slecht ter been bent; pas dan kun je bouwen aan een nieuwe wereld. Een wereld waar het goed is om met elkaar te leven, te werken aan vrede.

Dan gaat er een bepaalde tevredenheid, het woord zegt het zelf al, tevredenheid van je uit. Het is zoals het is, maar het kan ook anders. Vanuit een positieve houding kunnen we werken aan vrede; vanuit onvrede kunnen we nooit ergens aan bouwen, dan breken we alleen iets af. Dan strijden we tegen iets in plaats dat we voor iets strijden. 

Een kennis van mij is ernstig ziek. Al een paar jaar vecht ze voor haar leven, voor haar leven; niet tegende dood. Ze aanvaardt dat ze ziek is, en vanuit die gedachte leeft ze haar leven met haar ziekte. Ze strijdt dagelijks om een menswaardig leven, vanuit een positieve instelling.

Je kunt geen twee heren dienen. Je kunt niet ergens tegen strijden en tegelijk ergens voor strijden. Laten we dan strijden vanuit de positieve gedachte en bouwen aan een wereld vol vrede, vol verdraagzaamheid, vol rechtvaardigheid.

Dat brengt de vraag met zich mee: hoe ervaren wij ons leven? Als een geschenk of als een last waartegen we moeten strijden?