Lezingen: Deut. 4,32-34.39-40; Rom. 8,14-17; Mt. 28, 16-20

Inleiding
Van harte welkom, u allen, om samen met onze gemeenschappen eucharistie te vieren.
Als bijna vanzelfsprekend openden we de viering met een kruisteken: In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest – drie namen voor die één en dezelfde God, die nog zoveel méér namen draagt:
–Ik zal er zijn
–Eeuwige
–Enige…
Het geheim van Gods aanwezigheid kunnen we nauwelijks in mensenwoorden uitdrukken.
–God is er als een Vader, die ons liefdevol omarmt;
–God is er als een Zoon, die ons – als mens – Gods liefde heeft voorgeleefd;
–God is er als de Geest, die ons, vanaf de schepping, leven en geestkracht geeft.
Mogen we tijdens deze viering die onnoembare, Drie-ene God ontmoeten, in de woorden die we spreken en in het Brood dat we delen  met elkaar.

Overweging
De elf leerlingen trekken naar Galilea en gaan boven op een berg staan, die Jezus hen heeft aangewezen. Ik weet niet om welke berg het gaat. Dat heb ik nergens in het evangelie gevonden. Het doet er waarschijnlijk ook weinig toe. Het voornaamste is dat zij een overzicht krijgen, dat zij kunnen terugblikken op wat geweest is.
Als wij zo terugblikken op de voorbije vijftien maanden, dan heb ik niet de indruk dat wij nu op een berg staan. Door alle perikelen rondom corona is onze leefwereld enorm verkleind, is onze vrijheid beperkt en maken velen zich zorgen om de toekomst.
Het voelt voor mij soms als een wereld die in stukken ligt. We worden geconfronteerd met verdergaande individualisering, met de gevolgen van de uitbuiting van de aarde, met de steeds schrijnender wordende kloof tussen arm en rijk.
Ik stel er me vragen bij: Wat doen we met Jezus’ erfenis? Waar zijn we mee bezig, tweeduizend jaar later?

Onwillekeurig verschijnt bij mij het beeld van een legpuzzel. Puzzelen is voor mij een ontspannende bezigheid, een manier om mijn hoofd leeg te maken. Een grote plaat met een puzzel erop of een digitale puzzel op mijn tablet.
Maar bij het beeld van déze legpuzzel vraag ik me af: Past de puzzel in elkaar of valt hij juist uit elkaar?
Die puzzel van Jezus’ erfenis is behoorlijk ingewikkeld. Hoe begin je daar eigenlijk aan? Er zit geen voorbeeld bij en de omschrijving is nogal vaag. De puzzel lijkt nogal abstract.
Stel je een aantal ervaren puzzelaars voor, die er toch mee aan de slag gaan. Op basis van de uiteenlopende kleuren en vormen gaan zij er in eerste instantie van uit, dat er verschillende puzzels door elkaar geraakt zijn. Als ze na een tijdje ieder een stukje tekening bij elkaar krijgen en de grote stapel puzzelstukken in het midden van de tafel een beetje begint te slinken, krijgen ze ieder een idee waarmee ze bezig zijn.

Eén puzzelaar weet duidelijk dat zijn puzzel ‘spiritueel’ is. Een andere vindt er tal van vertrouwde,
huiselijke, traditionele elementen in, die hij ouderlijk, ‘vaderlijk’ of misschien wel ‘moederlijk’ zou willen noemen. Een derde vindt er dan weer veelal jeugdige elementen in die hij, vergeleken bij het ‘vaderlijke’ van zijn collega, eerder ‘de zoon’ zou willen noemen.
Maar er zijn nog meer puzzelaars… Naar gelang het aantal overgebleven stukken slinkt, merken zij dat ze niet aan drie of meer verschillende puzzels werken, maar dat alle onderdelen samen één geheel maken. De beelden lopen door elkaar, vullen elkaar aan en vormen één geheel. Naar gelang de invalshoek, zou je kunnen zeggen: dit is de Zoon, of neen, dit is de Vader. Héél even maar, zoals de lichtinval op de veren van een eenvoudige duif, kan de kleur overwegend grijs zijn, maar soms stralend blauw of glanzend rood oplichten.

Misschien voelt u het al aankomen! Wij vieren vandaag het feest van de Heilige Drie-eenheid, de Heilige Drievuldigheid, en daar wil ik per se iets over vertellen. Terwijl wij hier bij een berg zitten,
die eigenlijk een puinhoop is van brokstukken.
Mijn puzzelverhaal lijkt een beetje op het Bijbelverhaal over de ‘toren van Babel’, maar dan omgekeerd. De bouwers in Babel raakten van verwarring uit elkaar. Bij het maken van de puzzel vinden mensen juist elkaar en groeien langzaamaan naar elkaar toe. Tot zij door elkaar geráákt worden en de weg naar God vinden.

Al is het maar een puinhoop, een berg van brokstukken, toch kunnen wij, net als de leerlingen van Jezus, op die berg gaan staan. Want ook voor ons is het belangrijk dat wij opnieuw een overzicht krijgen; dat wij van een afstandje kunnen kijken naar wat er is of zou moeten zijn. Dan pas kunnen wij gaan puzzelen aan wat ons van de Zoon, de Vader en de Geest overgebleven is. Die grote puzzel waarvan wij zelf de onderdelen, de puzzelstukken zijn.
Wat moet je doen om te vechten tegen de negatieve invloed van mensen die er, door hun manier van leven, voor anderen een puinhoop van gemaakt hebben? Wat moet je doen om op te boksen ‘tegen een stroom’ van mensen, die hun eigen haan koning laten kraaien, die geen boodschap hebben aan vrede en gerechtigheid?
Misschien moet je wel zelf ‘in de stroom’ gaan staan. Door met gelijkgezinden Jezus’ erfenis handen en voeten te geven. Door in het klein of in het groot te werken aan een wereld zoals God die heeft bedoeld. Door je te laten raken door mensen die het goede met anderen voor hebben.

In de mate waarin mensen door elkaar geráákt zijn, hebben zij iets unieks, iets goddelijks in zich. Zijn wij misschien, op die manier, zelf ook een deel van die goddelijke puzzel?